België – Liefde bij nader toezien

Eén ding werd me toen al duidelijk: België is voor de meeste Duitsers terra incognita. We grappen
graag over Amerikanen die denken dat Europa in de Stille Oceaan ligt en dat Duitsland een koninkrijk is, maar vraag eens aan enkele modale Duitsers op de Marienplatz in München wat zij weten over buurland België. België? Waar lag dat ook weer? Het schijnt dat ze er lekkere frieten hebben.
En dat hébben ze. Maar waarom willen twee op de drie Duitsers die naar België zijn uitgeweken niet meer terug? Aan wat aardappelstaafjes, die een paar keer in vet op verschillende temperatuur gebakken zijn, kan het toch moeilijk liggen.
Aanvankelijk wordt een Teutoon in de Belgische hoofdstad overstelpt met alles waar hij een hekel aan heeft. Lawaai, chaos en uit de hand lopende kleine criminaliteit zijn hier alledaagse kost. Als Beier, gewend aan Law and Order, staar ik vol ongeloof naar politieagenten die liever hun sigaret oproken dan zich druk te maken om een auto die aan de verkeerde kant een straat met eenrichtingsverkeer indraait. Pas wanneer er voor de derde keer op een jaar tijd in mijn auto wordt ingebroken, begin ik het goed en wel te snappen. Ik bespaar me de tocht naar de politiepost en rijd meteen naar het Carglass Center.
Als mijn familie in het thuisland weer het typisch Duitse klaaglied aanheft over te hoge belastingen, te veel bureaucratie en de incompetente telecomsector, kan ik slechts flauwtjes glimlachen. In België bedraagt de btw 21 procent, mijn inschrijving als nieuwe inwoner van de Brusselse deelgemeente Elsene kostte drie maanden en pas na een half jaar had ik eindelijk een telefoonaansluiting van Belgacom, die sporadisch werkt.
Belgen doen de dingen graag op hun gemak. Het kleine land mag dan al verscheurd worden door interne spanningen tussen Walen en Vlamingen (de ene regering na de andere komt ten val), haast niemand lijkt zich daarover echt druk te maken. “Het is een strijd tussen de politici, niet tussen de burgers”, aldus een van mijn Belgische vrienden.
Precies dat maakt het land zo boeiend: de – in de goede zin van het woord – nonchalante manier van leven. Zeer vrij, zeer menselijk, met veel minder angst en agressie. Zelfs in de dagelijkse Brusselse verkeerschaos zie je maar zelden iemand schelden. De mensen zijn inschikkelijk, zowel tegenover de buren als tegenover een vakman die maar half werk levert.
Ik merk de verwondering bij Joost, mijn autoreparateur, als ik in zijn werkplaats mijn Duitse toorn de vrije loop laat. Ik heb betaald voor een nieuwe uitlaat en het ding ratelt alsof het er elk moment kan afvallen. Joost lacht en legt zich onder de wagen. Aha, twee schroeven vergeten. U zegt? Vergeten? Ik kook vanbinnen. De Belg monteert. Klits-klats, klaar. Geen probleem. Geen stress. “Nog een prettige dag – Bonne journée.” Vanwaar dat gefoeter? Ik voel me vandaag zeer Duits.
Het Belgische laissez faire werkt aanstekelijk. Dat merk ik vooral als ik op bezoek ben in Duitsland. De harde taal, de ruwheid in de omgang en de alom aanwezige nervositeit vind ik intussen zeer vermoeiend. Vroeger vielen zulke dingen me niet op. “Geef ‘s een lepel”, brult een man met een stropdas in een chique Berlijnse tearoom tegen de dienster. De dame rept zich. Zo ziet hij het graag. Bevelen geven is iets wat hij graag doet. Een paar meter verderop staat een jonge kerel in een net pak aan de bar. In België zou hij waarschijnlijk staan te flirten met de serveerster. Hier snauwt hij ze toe. Hij wil een chocolademelk, maar niet de gewone, een “witte”. Ook dat is typisch Duits: bijna alles hebben en toch nog mopperen.
Als dan bij mijn terugkeer op de luchthaven van Brussel mijn Noord-Afrikaanse taxichauffeur met een vrolijk “Bonjour Monsieur” mijn koffer aanneemt en in zangerig Frans vraagt hoe het met me gaat, voel ik me thuis. Waarom kan men in Duitsland niet wat Belgischer leven? Wat hoffelijker, verdraagzamer en vooral met die enorme gave om te genieten? Heel wat supermarkten tussen Brugge en Bastogne zouden in Duitsland gemakkelijk voor delicatessenzaken kunnen doorgaan. Niet voor niets zit de kleine Galliër op de kaft van mijn vier Asterix-boekjes aan een overvloedig beladen feestdis, samen met horden vrolijk vierende Belgen.
Tien minuten later staan we in de file en wens ik dat de Belgen soms wat Duitser konden zijn.











