Markus Hesselmann in London

Fever pitch and stiff upper lip

copyright: Doris Klaascopyright: Doris KlaasVoetbal vormt een prima uitgangspunt voor een verhaal over Duits-Engelse aangelegenheden. Dit verhaal vangt aan op een grijze dag in Teesside, begin jaren 1980.

Er bestaan heel zeker happenings met meer glamour dan een wedstrijd tussen Middlesbrough en Coventry in het oude Ayresome Park stadion, maar deze wedstrijd was mijn inwijding. Evenmin als Nick Hornby ben ik ervan overtuigd dat je je favoriete voetbalploeg vrij kiest. De club kiest jou. En zo koos Middlesbrough mij op een dag uit. Een jumelage bracht me naar het noordoosten van Engeland, een plek die voor het overige geen echte vakantiebestemming is. Tweemaal reisde ik er met groepen Duitse jongeren heen. Ik voelde me er meteen thuis, en niet alleen omdat Oberhausen, mijn thuisstad in het Ruhrgebied, het meer niet te na gesproken, sterke gelijkenissen vertoont met Middlesbrough.

Engeland was voor mij het land van voetbal, of beter nog: het “Mutterland des Fußballs”, zoals de Duitsers zeggen. En Engeland was ook het moederland van de popmuziek. De moeders van onze gastgezinnen kenden de hitlijsten evengoed als hun kinderen. Mijn ouders luisterden in diezelfde periode naar instrumentale muziek van James Last of Richard Clayderman. Zelf was ik in die tijd fan van Madness. Tijdens mijn eerste les idiomatisch Engels verklaarde Keith, de oudste zoon van mijn gastgezin, me de dubbelzinnigheid van de titel van de Madness song Tarzan’s nuts. Ook vandaag nog zinderen de nummers uit de Britse hitlijsten van die tijd in mijn hoofd na: Going Underground van The Jam, Turning Japanese van een obscure band die naar de naam The Vapors luistert en die iedereen behalve ik blijkt te zijn vergeten, of Together we are beautiful van het typische one hit wonder, de zangeres Fern Kinney (en toen hoefde ik helemaal niet te googlen, neem dat maar van me aan).

Nog meer onder de indruk was ik door de uitgestrekte openbare grasvelden waarop iedereen voortdurend kon voetballen. Mij leek het dat de Engelsen hun huizen zo dicht samenpakten om zoveel mogelijk plaats over te houden voor voetbalvelden. Thuis moest je zelfs als speler van een voetbalclub goed opletten om je niet te kwetsen aan de gravelbaan. Voetbal op het gras in het park? Verboden! Maar niet in het voetbalparadijs Engeland. Als met zoveel andere dingen vierde Duitsland ook op dit vlak de teugels. Vandaag denk ik vaak dat de Britten meer “verbodsbordjes” hangen dan de Duitsers.

Ik hield in Engeland vooral van sport, muziek en van de zee. En ik hield van mijn nieuwe lievelingsclub “Boro”, hoewel ik er al vrij snel achterkwam dat de club sinds het prehistorische begin van het Engelse voetbal geen enkele titel won. En ik vernam ook dat een zekere mijnheer Hitler Boro belette kampioen te worden. Net toen het beste Boro-team ooit de meeste kans op de kampioenstitel maakte, moest hij zo nodig oorlog voeren. Bovendien leerde ik dat Coventry, mijn eerste tegenstander als fan van Middlesbrough, er uit de periode van de tweede wereldoorlog nog een andere heel gewelddadige relatie met Duitsland op nahield, die Brits-Duitse projecten zoals jumelages en uitwisseling van jongeren bijkomend belang toemeten.

Mij stoorde het volstrekt niet dat mijn eerste Boro-match even opwindend was als het volgende bezoek aan de brandweerkazerne van het graafschap Cleveland of de trip naar de Schotse “borders” waar we vanuit de bus de vele schapen, groene heuvels en met steen opgetrokken muurtjes konden bewonderen. Ik bleef mijn club trouw volgens heuse Hornby ethiek. En ik werd beloond. Mijn tweede live match met Boro werd een echt Hornby moment, een fever pitch. De omstandigheden alleen al waren opwindend. Ik had pas mijn burgerdienst beëindigd en had nog enkele maanden de tijd voor ik mijn opleiding Engels in Berlijn zou aanvatten. Die tijd bracht ik door als Fish-and-Chips-kok in een kroeg in Londen. Mijn baas, een Ier, nam me mee naar de degradatiematch tussen Chelsea en Boro aan de Stamford Bridge.

Meer nog dan de promotie van Boro maakte de nasleep indruk op me. Fans van Chelsea bestormden het terrein en bekogelden ons met flessen en stenen. Een veeleer onverkwikkelijke confrontatie met het Engelse voetbalenthousiasme. In de jaren na het Heizeldrama waren Engelse hooligans berucht. Engelse clubs was dan ook de toegang tot de Europacup ontzegd. In die periode werd net overwogen om de ban op te heffen. Anderzijds was dit ook een ontmoeting met Britse humor en met de Britse stiff upper lip. “Gedraag jullie, wij willen volgend jaar Europees spelen”, riep een Boro-veteraan, terwijl de flessen links en rechts van hem insloegen. Ik was verrast en gefascineerd. En ik ben niet de enige: heel wat Duitsers zijn gefascineerd door Engeland en door de Britse humor. Zij willen Engelandexpert zijn en pakken daar graag mee uit.

Om officieel Duits Engelandexpert te worden stak ik menigmaal het “Kanaal” over om telkens weer de “Eilanden” te bezoeken. Bovendien studeerde ik twee trimesters aan de Reading universiteit. En dat had nog een ander effect: ik leerde daar wat gezond patriottisme. Mijn Engelse vrienden staan heel kritisch tegenover hun regering of tegenover bepaalde maatschappelijke en politieke vragen. Maar ze blijven hun land altijd loyaal. Ze maken heel wat grappen, vaak gemene grappen over Duitsland en over de Duitsers. Maar gelijktijdig tonen ze veel eerbied voor een land dat in zijn geschiedenis zoveel bereikte en na de totale nederlaag uit de ruïne herrees. In Engeland leerde ik dat progressief, internationalistisch denken en patriottisme elkaar niet uitsluiten. En dat het heel remmend werkt en heel cerebraal is om steeds weer het slechte in het eigen land te zoeken, zoals veel Duitsers het graag doen. De Engelsen leerden me van Duitsland te houden.

Markus Hesselmann werd in 1967 in Oberhausen in het Ruhrgebied geboren. In 1988 trok hij naar Berlijn om er te studeren. Kort daarop viel de muur. In 1990 trok hij voor een verdere opleiding naar Engeland. Kort daarop viel Margaret Thatcher. Sinds 1994 werkt Markus Hesselmann voor de “Tagesspiegel” in Berlijn. Hij was onder meer hoofdredacteur van de rubrieken sport en streeknieuws. Sinds 2007 werkt hij als correspondent in Londen voor de “Tagesspiegel”. In zijn weblog “London Blogging” heeft hij het over alles wat Brits, al te Brits is.

Links over dit onderwerp

Weblog: Rory’s Berlin-Blog

Rory MacLean Weblog
Settling in Berlin: Travelwriter Rory MacLean gives an amusing and insightful account of his new home.

Weblog: „Meet in Finland“

Onder „Meet in Finland“ kunt u lezen wat schrijvers en kunstenaars, die op uitnodiging van het Goethe-Institut een langere tijd in Finland doorbrengen, daar beleven.