Peter Sloterdijk

Cultuurcriticus, schandaalsprekers en televisiefilosoof – Peter Sloterdijk onttrekt zich aan elke etikettering

2004 Peter RigaudDe filosoof Peter Sloterdijk is net zo beroemd als omstreden. Sinds 1980 publiceerde hij talrijke werken in verband met vragen over tijddiagnostiek, cultuur- en religiefilosofie, kunsttheorie, psychologie en economie- filosofie. Steeds weer komt hij bij het becommentariëren van actuele gebeurtenissen scherp uit de hoek.

Er lijkt nauwelijks een thema te bestaan, waarover Sloterdijk zich niet openbaar wil uiten. Zijn mededeelzaamheid en welbespraaktheid maken van de professor voor filosofie en esthetiek uit Karlsruhe een geliefd gesprekspartner van het Duitse feuilleton. Sloterdijk is te gast in televisie-uitzendingen en modereert zelf in ZDF het “filosofisch kwartet”.

Zo een manusje van alles is voor de academische wereld, die bescheiden optredende specialisten weet te schatten, natuurlijk meer dan verdacht. Sloterdijks’ eerste werk De kritiek van het cynische verstand, dat de 35- jarige bij het verschijnen in 1983 met één slag beroemd maakte, wist meteen al de lezerschaar te verdelen in aanhangers en critici. De enen vierden hem als navolger van Arthus Schopenhaur en Oswald Spengler (FAZ), de anderen duwden hem in de hoek van een moderne filosoof en spraken respectloos van een “cultboek” (Spiegel). Inderdaad telt de Kritiek van het cynische verstand tot de bestverkochte Duitstalige filosofische boeken van de 20ste eeuw.

Cynisme- critici en ruimdenkenden

In dit vroege hoofdwerk beschrijft de cultuurcriticus Sloterdijk, door zich te beroepen op de “lachtraditie van het satirische weten”, het cynisme als “opgehelderd foutief bewustzijn”. Als antoniem ontwikkelde hij het “reddende kynisme”. De “kynicus” speelt tegen de overmacht van de cynicus een anarchistische tegenmacht uit, leidt een bestaan in weerstand, in gelach, in weigering, in het beroep doen op de ganse natuur en het volle leven”. Sloterdijk knoopt daarbij vooral aan bij de door hem zogenoemde “neo-kynische” werken van Nietzsche en Heidegger, en roept daarbij op, om de verloren vrijpostigheid terug te vinden in de omgang met het gewelddadig en misvormend cynisme.

Ook in zijn nieuwste werk, het driedelige Sferen (1998-2004), fungeert Heidegger er in zoverre als referentiepunt, wanneer hij er de “grondvraag van de filosofie, de vraag naar het zijn” (Sloterdijk) formuleert. Toch stelt Sloterdijk deze vraag niet met blik op de tijd, zoals Heidegger dat deed, maar met blik op de ruimte, zodat de vraag naar het zijn bij hem opduikt als “samenzijn- vraag”. “In Sferen wordt een poging gewaagd om een antwoord te geven op de vraag, hoe mensen het klaar spelen hun samenzijn met een overweldigende veelheid aan buitenmenselijke en medemenselijke feiten te beheersen. Men is nooit enkel bij zichzelf, maar altijd bij andere mensen, bij dingen en omstandigheden, dus voorbij zichzelf en in een omgeving.” (Sloterdijk) De ruimte is dus geen lege abstractie meer, maar wordt een vorm van menselijk leven in de zin van een ruimtelijk vormgevende en ruimtescheppende activiteit.

De essayist

Veel van zijn publicaties treden op als “verhandelingen”. (In dezelfde boot. Verhandeling over de hyperpolitiek (1993), Mediatijd. Drie hedendaags- diagnostische verhandelingen (1993), Zelf- verhandeling. Gesprek met Carlos Oliveira (1996), De verachting van de massa’s. Verhandeling over de cultuurstrijd in de moderne maatschappij (2000), Niet gered. Verhandeling over Heidegger (2001)). Zijn eigen literaire vorm vindt Sloterdijk in het essay, waarvan hij, in verband met Friedrich Nietzsche, door hem hoog gewaardeerd, schreef: “Het woord essay heeft een schele toon; het klinkt bijna als een pleidooi voor meegaandheid bij ontoereikende krachten. Open vorm, ontspannen argumentatie, retorische vrijheden, vakantie van bewijs”, kortom: een reservaat “waar men het met alles niet zo nauw lijkt te nemen”.

Inderdaad neemt Sloterdijk in zijn werken af en toe zelf “vakantie van bewijs“. Veel van zijn geschriften, ook brede passages uit zijn eerder systematisch aangelegde hoofdwerken, lezen als een aaneenschakeling van gevat geformuleerde opinies en suggestieve metaforen. De enen waarderen dat, prijzen zijn stijl, roemen zijn ongewoonlijke taal, loven zijn zwervend denken. “Wie kan”, zo vraagt bijvoorbeeld de Frankfurtse Rundschau (Revue) in juli 2004 retorisch, “vandaag als denk- prozaïst tippen aan Sloterdijk?”. Anderen verwijten de filosoof op hun beurt voor dezelfde reden “intellectuele verwaarlozing” (Spiegel). Want welke wetenschappelijke methode volgt Sloterdijk, waar op de brede landkaart van waarden of tenminste van standpunten heeft hij zijn plaats?

De schandaalspreker

Dat men, tenminste op filosofisch vlak, niet altijd ongestraft “vakantie van bewijs” kan nemen, toonde dan ook het debat dat ontstond rond Sloterdijks’ omstreden toespraak Regels voor het mensenpark (1999), dat uitgroeide tot een regelrecht schandaal. In deze toespraak suggereerde Sloterdijk, meer dan dat hij daadwerkelijk argumentatief betoogd had, dat men inzake voortschrijdende bevindingen op het gebied van de gentechnologie, voorschriften moet vinden, volgens welke mensen in de toekomt kunnen worden voortgeplant. Vooral ook zijn terloopse verwoordingen zoals die van “de onovertroffen duistere jaren na [!] 1945” stootten daarbij op kritische weerklank en behoefte naar opheldering, maar er waren ook meerdere provocatieve begrippen uit het NS- taalgebruik, die hem het verwijt brachten ver naar rechts afgedreven te zijn.

Dit debat heeft Sloterdijk daadwerkelijk schade berokkend, minder omwille van wat hij gezegd heeft – ook zijn scherpste critici verdachten hem er uiteindelijk niet van, een vertegenwoordiger van mensenkwekende ambities te zijn. Inhoudelijk bleef er van het debat niet veel over. Tot de vraag, hoe men toekomstig met de bevindingen van de gentechnologie moet omgaan, droeg zijn rede nauwelijks iets bij. Het verwijt, dat de Tübingse filosofieprofessor Manfred Frank met de woorden “Afdwalingen en afwijkingen” samenvatte, berustte veel meer op de argumentatieve onredelijkheid. Sloterdijk heeft door een verwarrend opiniespel, middels merkwaardig eenzijdige citeerwijzen van zijn voorvaderen Nietzsche en Heidegger, een schandaal bewust geprovoceerd. De media zijn hem er ongetwijfeld dankbaar voor.

De televisiefilosoof

Sinds begin 2002 modereert Peter Sloterdijk op de “tweede Duitse Televisie” een talkshow met als titel In het glazenhuis. Het filosofische kwartet. Daar discussieert hij samen met de filosofische schrijver Rüdiger Safranski en uitgenodigde gasten één keer per maand over religie, populisme, Adolf Hitler en over de vraag waar Europa ophoudt. “Belangrijk is dit engagement ook daarom”, licht hij toe, “omdat de totaalstroom van de cultuur momenteel hoog cultuurvijandelijk is en non-verbale vormen van communicatie in de hand werkt”. Peter Sloterdijk, die mediajongleur is, is zelf een meester op dat vlak.
Antonia Loick, Cleeves Communication UnitZwei
Antonia Loick werkt als redactrice en journaliste in Keulen

Copyright: Goethe-Institut e. V., Online-Redaktion
januari 2005
Links over dit onderwerp

Duitsland denkt

Deutschland denkt
Duitse wetenschappers zijn er volop, maar hoe vind je nu precies de wetenschappelijke experts, die bij een actueel project nodig zijn?