Thomas Brussig

Thomas Brussig in gesprek met Rory MacLean

copyright: Rory Maclean
Copyright: Rory MacLean
Thomas Brussig (rechts)
met Rory MacLean
De vroege herfstbladeren knisperen en kraken onder de wielen van mijn fiets als ik door de Pallasstraße rijd, op weg naar mijn lunchafspraak. Thomas Brussig, het eigenwijze, diepzinnige, 43-jarige wonderkind van de nieuwe (Oost-)Duitse literatuur, heeft me laten kiezen uit verschillende Berlijnse restaurants. “Wienerschnitzel of Koreaans katholicisme?” vroeg hij. “Aan jou de keuze.” Ik ging natuurlijk voor het laatste; wat moest ik anders in het nieuwe, open Duitsland?

We zitten op hoge stoelen bij het venster, omringd door Bijbelcitaten, en eten een pittig eenpansgerecht uit zware stenen schotels. De Koreaanse serveerster draagt het ichthusteken, het christelijke visje, op haar schort. Ik stel de vraag die me bezighoudt: welke betekenis heeft die andere geloofsleer in Thomas’ werk?

“Ik ben opgegroeid in het communistische tijdperk”, antwoordt hij. “Natuurlijk had ik meer geluk dan anderen. Voor mij was het niet zo vreselijk, want de tijden waren aan het veranderen. Maar destijds bespeurde ik bij mezelf grote woede. Ik heb in mijn leven voor het schrijverschap betaald.”

Thomas’ meest succesvolle boek is Helden wie wir, een brutale en dolkomische komedie over de verschrikkingen ten tijde van de val van de Muur. Het verhaal werd intussen bewerkt voor film en theater en uitgegeven in een tiental talen, maar daarvoor was het boek al een groot succes in eigen land.

“Bij de oorspronkelijke publicatie was er in het voormalige Oost-Duitsland een soort opluchting dat men over het totalitaire systeem grappen kon maken. Men was blij dat het mogelijk was zo een gek en grappig verhaal te verzinnen over die tijd. En in het westen vond men het altijd een plicht over Oost-Duitsland te lezen. Helden wie wir toonde aan dat het ook leuk kan zijn over dat leven te vertellen. Dat is de macht en de vrijheid van humor!”

Thomas zei ooit dat Oost-Duitsland stof bood voor goede verhalen, omdat er zoveel absurde situaties waren. In Helden wie wir schrijft hij over de absurde en onrechtvaardige, levensgevaarlijke strook langs het IJzeren Gordijn, over metrolijnen die daaronder rijden, over een kind dat de Stasi bespioneert, en over een penis die leidt tot de val van de Muur.

“Het schrijven van dat boek heeft me heel wat geleerd. Het was voor mij een soort studie over de werking van literatuur. Ik ontdekte hoe belangrijk overdrijvingen zijn, het opblazen van ideeën en personages.” Hij neemt een cola uit de koeler. “Ik vond het erg leuk het boek te schrijven. Als een auteur niet geniet van het schrijven, hoe kan de lezer dan genieten van het lezen?”

Thomas werd geboren in Oost-Berlijn en had als jongere nooit de ambitie schrijver te worden.

Tijdens zijn schooltijd volgde hij een opleiding tot bouwvakker. Daarna had hij verschillende baantjes, onder meer als museumsuppoost en hotelbediende. Zijn legerdienst was een ongelukkige tijd, niet het minst omdat hij het moeilijk vond met wapens om te gaan. Hij begon veel en graag te lezen, en ontwikkelde gaandeweg een passie voor woorden.

“Toen ik jong was, had ik geen duidelijke richting in het leven. Door te lezen ontdekte ik dat woorden uitdrukking konden geven aan mijn tegenstrijdige gevoelens. Plots werd het me duidelijk dat ik niet alleen stond, en de mogelijkheid me in woorden uit te drukken nam me helemaal in beslag. Dus begon ik te schrijven, om mezelf te helpen bij het nemen van beslissingen. Zo kwam ik erachter dat ik er talent voor had.” Thomas lacht om zichzelf. “Met andere woorden: ik begon te schrijven omdat ik niet wist wat ik wilde worden en zo ben ik schrijver geworden.”

Thomas is een bescheiden mens: geen designerzonnebril of een tafel vol mobiele telefoons, maar wel een jongensachtig enthousiasme over zijn onverwachte succes. Hij heeft nog vijf boeken geschreven, waaronder Am kürzeren Ende der Sonnenallee, dat door Leander Haußmann verfilmd werd.

Momenteel tekent hij de grote lijnen voor zijn twee volgende boeken en onderhandelt hij over een filmcontract. Het is verkwikkend dat zijn interesse voor de film deels ingegeven is door zijn levenshonger. “In de filmwereld worden de leukste feestjes gegeven”, vertrouwt hij me toe. “Als ik geen draaiboeken schrijf, word ik niet uitgenodigd.”

Tussen de muren met Bijbelcitaten verschuift ons gesprek naar het onderwerp Berlijn (volgens hem is de stad vrij van dogma’s en autocraten en kan iedereen, rijk of arm, jong of oud, er zijn leven even goed vorm geven) en vervolgens naar Duitsland zelf. Een man met zijn achtergrond is natuurlijk gefascineerd door kwesties zoals identiteit en nationalisme. Ik herinner hem eraan dat hij ooit de vrees verwoordde dat een herenigd Duitsland “door een groot gebrek aan fantasie” weer daar zou kunnen aanknopen, waar het in 1945 gestopt was. Onverwacht verklaart hij dat voetbal die angst heeft weggevaagd.

“Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de nazi’s misbruik gemaakt van patriottische gevoelens. Ze creëerden helden, die later moordenaars bleken. In de jaren ‘60 reageerden de intellectuelen met een verbod op bepaalde woorden en emoties. Sindsdien schuilt in elke Duitsers een klein ventje dat ons influistert dat we onze gevoelens niet mogen vertrouwen.” Thomas neemt een slok van zijn cola.

“Tijdens het WK van 2006 werd het ons Duitsers duidelijk dat dit veranderd is. Met een soort vaderlandslievende maagdelijkheid zagen we dat we onze trots mochten tonen en desondanks nog aardig werden gevonden. Dat hielp ons op zijn beurt om onszelf weer aardig te vinden. We merkten een gezonde nieuwe vaderlandsliefde, een eerbetoon aan onze technologie, onze vrijgevigheid in de ontwikkelingshulp, onze inzet voor het milieu en onze samenleving, die allesbehalve op zichzelf gericht is. Mensen die elkaar niet kenden, vielen elkaar in de armen en zongen het nationale volkslied. We gingen beseffen dat we patriotten van een andere soort waren geworden. Wat een wonder!”

Ik vertel Thomas dat die ommekeer er volgens mij kwam omdat de Duitsers de verantwoordelijkheid namen voor hun verleden. Het moderne Duitsland heeft op een moedige, humane en overtuigende manier zijn verleden aan het licht gebracht, er een gedenkteken voor opgericht, en zo het land geestelijk gezond gemaakt.

“Je hebt gedeeltelijk gelijk”, antwoordt hij. “De gebeurtenissen laten vaak sporen achter in de architectuur, en wij zijn er goed in zulke gebouwen te bewaren als getuigen van de tijd. Meestal. Maar van de socialistische tijd die ik gekend heb, blijft enkel de televisietoren op Alexanderplatz over. Het Volkspalast werd ondanks luid protest afgebroken. De Rathauspassagen werden verwesterd. Het Lenin-monument werd verwijderd, hoewel de man niemand meer iets kan doen. Ik vind het vooral spijtig dat men nergens meer een stuk van de Berlijnse Muur in zijn naakte wreedheid kan zien.”

De Duitsers zijn hun socialistische monumenten zelf dan wel kwijt, maar ze hebben wel Thomas’ opvallende boeken als aandenken aan de donkere, bittere geschiedenis, en zijn rijke satire om de emoties en de pijn van de verdeling meester te kunnen. Zoals hij schrijft aan het einde van Sonnenallee: “Gelukkige mensen hebben een slecht geheugen en rijke herinneringen.” Na onze maaltijd te midden van het evangelie zegt de schrijver: “Helden wie wir is natuurlijk een ironische titel, en ironie is een goed middel om afstand te scheppen en het onderzoeken van de eigen gevoelens mogelijk te maken.”

Rory MacLean
september 2008

    Encounters

    The World Through the Eyes of German Authors