De Duitsers en de auto

De Duitsers en hun auto’s

De Duitsers hebben steeds meer aandacht voor de klimaatproblematiek. 'Ik vind het goed dat bestuurders langzamer gaan rijden, maar, alsjeblieft, niet op de inhaalstroken.'; Copyright: Greser&Lenz
De sensitiviteit van de Duitsers


In Duitsland maakt de auto een groot deel uit van de nationale identiteit. Een ironisch commentaar van Roger Boyes.

Zelfs in het Oude Testament bij Hiob en Noah wordt niet zo veel over natuurrampen gesproken als tegenwoordig. Overstromingen zullen weldra steden verwoesten, droogtes zullen meren uitdrogen, skivakanties zullen moeten afgelast worden. In vorige tijden werden ongemanierde kinderen bedreigd met gedrochten en monsters die bloed dronken uit kinderschedels. Vandaag vrezen ze de klimaatsverandering. Maar de meest bange mensen zijn de mannen en vrouwen die Duitsland besturen. Want de grootste ramp waar niemand aan durft denken, is de mogelijkheid dat de simpele Duitse autobestuurder misschien een kleinere wagen moet aanschaffen. Of zelfs naar de supermarkt moet lopen. Elke Duitse regering die zo een offer van zijn burgers zou verlangen, zou verdoemd zijn. Duitse kanseliers hebben in het verleden al veel overleefd: corruptieschandalen, de afschaffing van de Duitse mark, scheiding en bedrog. Maar geen politieke leider kan een Duitser ervan overtuigen dat zijn mannelijkheid onafhankelijk is van de paardenkracht van zijn auto. En elke regering die het zou wagen het snelheidsfetisjisme te provoceren, zou de volgende verkiezingen verliezen.

Laat ons eerlijk zijn, de Duitse man houdt van machines. Je hoeft enkel maar de mannen in de kroeg te horen, hoe ze discussiëren over de plaats waar ze hun auto voor reparatie naartoe brengen; er wordt met evenveel bezorgdheid gesproken over motorschade of een afgebroken ruitenwisser, als over de gebroken enkel van een dochter. Vrouwen wisselen het telefoonnummer van artsen en schoonheidsspecialisten uit. Mannen –Duitse mannen– spreken over de verdiensten van hun mecanicien. De eigen auto wordt slechts aan de allerbeste toevertrouwd. Had een Duitse man de keuze, dan zou hij zich met zijn Audi laten begraven, zijn trouwe metgezel. Als het er om gaat een nieuwe auto te kopen, doet het enthousiasme denken aan dat in een geboortekliniek. Je kunt je de scène voorstellen: de vroedvrouw spoort de ongelukkige moeder aan om meer en meer te persen. Zolang tot zij eindelijk aan de trotse vader verkondigen kan: “Het… het is… het is een S-klasse!”

Duitse vrouwen zijn altijd al pragmatischer geweest wat betreft auto´s. Er bestaat een bekende spreuk: “Voor vrouwen is de auto een middel tot het doel. Voor mannen is het het doel, waarvoor soms de middelen ontbreken.” Toch is het iets meer dan dat. Voor vrouwen waren auto´s al sinds Bertha Benz een mogelijkheid tot onafhankelijkheid. Geen andere feministische revolutie was zo nauw verbonden met de auto als die in Duitsland. De roadmovie uit 1991 Thelma and Louise toont de Amerikaanse vrouwen hoe ze hun eigen identiteit kunnen vinden, door met de auto te rijden en te vluchten voor traditionele verwachtingen en verantwoordelijkheden. Maar de Duitse vrouw heeft de mogelijkheden van de auto lang vóór Hollywood ontdekt. In Out of Rosenheim toont Percy Adlon hoe Marianne Sägebrecht, een vrouw uit Beieren, een nieuw leven begint, wanneer ze op een Amerikaanse autosnelweg uit de wagen van haar echtgenoot stapt. De Duitse man beschouwt zijn wagen als een instrument om zijn leven – en zijn vrouw– in controle te houden. Vandaar die verborgen agressie in sommige spreuken over vrouwen in auto´s “vrouw aan het stuur, dat wordt duur” of “vrouw aan het stuur– ongehoord“.

Spanningen tussen mannen en vrouw omwille van hun verhouding tot de wagen, komen natuurlijk ook in andere landen voor. En toch lijken ze in Duitsland, waar de wagen zo een groot deel van de nationale identiteit geworden is, een speciale kwaliteit te hebben, een bijzonder pijnlijk punt. Er bestaat een centrale paradox in Duitsland. Op het eerste zicht lijkt het een land te zijn dat bezeten is van de autosnelweg; niet enkel omwille van de ontbrekende snelheidslimieten – hoewel het mij altijd zal verwonderen dat toeristen uit China naar Duitland reizen, enkel om met hun Porsche aan maximum snelheid van de ene stad naar de andere te kunnen rijden. Nee, ook de hogesnelheidstreinen, de ICE, de Transrapid, de ganse industrie in het gebied van de ingenieurswetenschappen is eerder rond het principe van snelheid- maximalisatie opgebouwd, dan dat ze er in geïnteresseerd is om energie te sparen. En toch, en toch is er in Europa geen onbeweeglijkere maatschappij dan die van Duitsland. De mensen blijven liever werkloos in hun dorp dan 100 kilometer verder weg te trekken voor een nieuwe baan. Het sociale systeem werkt stilstand in de hand. De huurwet maakt verhuizen onrendabel. De verschillende schoolsystemen maken het bijna onmogelijk om een kind om te scholen van een school in Berlijn naar een school in Beieren. En het feit dat er nauwelijks voltijdse scholen bestaan, maakt het voor vrouwen moeilijk om naar hun werk te pendelen. Duitse mannen prediken wel de goede eigenschappen van een versnelde maatschappij, maar houden een systeem in stand dat van Duitsland één van de culturen in Europa maakt die zich het langzaamst beweegt.

Auto’s zijn niet altijd het voorwerp van aanbidding geweest. Helemaal in het begin bestond er een diep scepticisme. Eugen Diesel, de zoon van Rudolph, herinnert zich nog goed hoe de inwoners van München klaagden: “Een auto is een rijtuig dat niet wil”. Dat was in 1905: auto’s vielen voortdurend stil, ontploften en weken van de straat af. Later werd de wagen natuurlijk verder ontwikkeld, men kon er gemakkelijker mee omgaan en het werd een symbool voor de concurrentie tussen mannen. Maar misschien keert het scepticisme nu terug. Niet omdat auto’s bijzonder gevaarlijk zijn voor het individu, – het aantal verkeersdoden is in Duitsland relatief gering, waarschijnlijk dankzij de airbag – maar, omdat de door de auto veroorzaakte milieuvervuiling onze kinderen kan schaden. De eerste auto’s – Mercedes! – werden ontworpen ter ere van de dochters van de uitvinders en ingenieurs. Vandaag is de propaganda voor de klimaatbescherming zo sterk, dat Britse politici met de fiets naar hun werk rijden (terwijl ze, toegegeven, van een gechauffeerde auto begeleid worden, waarin zich hun documenten en aktetassen bevinden). Misschien algauw, misschien in een volgende generatie, zullen kinderen in de kleuterschool, wiens vader met een grote wagen rijdt, bespot worden. Nieuwe technologie maakt het mogelijk dat een zakelijke vergadering per videoconferentie kan worden gehouden, zonder dat men daarvoor langs de autosnelwegen moet razen. En de files op de autosnelweg, die het begin van elke schoolvakantie in Duitsland aangeven, hebben ook niets bekoorlijks.

En zo zal de era van de grote, vette limousines spoedig voorbij zijn, zelfs voor de Duitse man. Hoe zal hij nu zijn mannelijkheid meten? Aan de hand van de grootte van zijn fietsluchtpomp? Met een gouden bankkaart? Harde tijden achter het stuurwiel staan de Duitsers te wachten.

Roger Boyes
is Duits journalist voor de Londense dagelijkse krant de “Times”. Hij woont al 20 jaar in Duitsland en is de schrijver van de rubriek “My Berlin” in de Tagesspiegel. In zijn boek “My dear Krauts” brengt hij met typisch Britse humor verslag uit over de eigenheden van het Duitse dagelijkse leven.

Uit het Engels vertaald door Heike Cornelsen
Copyright: Goethe-Institut e. V., Online-Redaktion
maart 2007

Links over dit onderwerp

Weblog: Rory’s Berlin-Blog

Rory MacLean Weblog
Settling in Berlin: Travelwriter Rory MacLean gives an amusing and insightful account of his new home.

Weblog: „Meet in Finland“

Onder „Meet in Finland“ kunt u lezen wat schrijvers en kunstenaars, die op uitnodiging van het Goethe-Institut een langere tijd in Finland doorbrengen, daar beleven.