De Duitsers en hun humor

Duitse humor

`Max und Moritz´; Copyright: Wilhelm-Busch-Museum Hannover`Max and Moritz´; Copyright: Wilhelm-Busch-Museum HannoverIn het jaar 2008 wordt de dag van het overlijden van Wilhem Busch, de uitvinder van Max-und-Moritz, al voor de 100ste keer herdacht. Naar aanleiding hiervan wordt nagegaan of de Duitsers eigenlijk wel zin voor humor hebben. Een commentaar van Roger Boyes.

Vegetariërs en aanhangers van koolhydraten vieren nu al het lang verwachte, door de Verenigde Naties uitgeroepen, Jaar van de Aardappel. Fijn, deze gebeurtenis kan het wereldkampioenschap niet bijbenen, maar, of het nu fijngestampt, gebakken, gebraden of gefrituurd is, de aardappel wordt gehuldigd als loyaalste keukenmetgezel van de Duitsers. Veel plezier allemaal met elkaar.

Een lachende fan van het Duitse nationale team tijdens de WK-testmatch van Duitsland tegen Colombia; Copyright: picture-alliance/ dpa Vreemd genoeg is het jaar 2008 ook het inofficiële jaar van de Duitse humor, en je kunt je niet van het gevoel ontdoen, dat het hier om meer dan een gelukkig toeval gaat. Uiteindelijk is de aanduiding “ondergronds “ zowel op de aardappel als ook op de Duitse humor toepasselijk, beide liggen diep begraven. Om een aardappel eetbaar te maken, moet men ze uitgraven, ze opglanzen tot ze blinkt en gaar koken – hetzelfde geldt voor de Duitse humor. Het goede nieuws is dit: dit jaar kunnen wij een paar ballonnetjes sparen en beide belangrijke gebeurtenissen tegelijkertijd vieren. Ik kan nauwelijks wachten tot de uitnodigingen in huis waaien.

Het jaar 2008 is het jaar van de humor, omdat de dood van Wilhem Busch, uitvinder van Max-und-Moritz, voor de 100ste keer wordt herdacht. Dit feit wordt niet enkel als excuus gebruikt om het leven van Busch onder de loep te nemen, maar ook om na te gaan of de Duitsers beschikken over zin voor humor. Er zijn Busch- tentoonstellingen in Hannover, Schleswig en Schweinfurt voorzien en natuurlijk eindeloze academische conferenties, gewijd aan het heel ernstige thema “Duitse humor”.

Stefan Raab presenteert ‘TV Total’; Copyright: ProSieben/Foto: Ralf Jürgens Dit alles kan voor buitenstaanders een beetje vreemd lijken. Waarom zou men een natie ervan moeten overtuigen, dat het inderdaad heel grappig is, dat het komieke genieën heeft voortgebracht? Het bewijs daarvoor valt overal te vinden – in cafés wordt luidkeels gelachen, voor theaters waar Stand-Up Comedians optreden, staan mensen in de rij. Het hele verloop is, nu ja, hoe zal ik dat zeggen, typisch Duits. Op een of andere manier hebben de Duitsers zichzelf wijsgemaakt dat hun gevoel voor humor minderwaardiger is dan dat van andere landen. Vertelt een Duitser in het gezelschap van buitenlanders een mop, dan stuurt hij veelal “Je zult het zeker niet grappig vinden” voorop. In Duitsland gaan de mensen naar lachacademies en volgen lachtherapie.

Maar vooral importeren de Duitsers een grote hoeveelheid Comedy-series uit Groot-Brittannië en de VS. Voor de Britten lijkt het er soms op dat ze niet langer de auto-natie zijn die ze ooit waren (auto’s bouwen de Duitsers nu ook voor ons Britten), maar veel meer grappenleveranciers. Begonnen is het allemaal met Monty Python, Benny Hill, Mr Bean en Borat. Intussen worden Britse Tv-formaten regelmatig gekopieerd (The Office was het voorbeeld voor de reeks Stromberg). Harald Schmidt, een echt nationaal komiek genie, moest een formaat uit de VS lenen – de Late Night Shows van David Letterman en Jay Leno – om bij de Duitse toeschouwers een blijvende indruk na te laten.

De realiteit ziet er zo uit: de Duitsers vertrouwen hun eigen vermaaktalent niet. Wanneer men mensen tot lachen brengt, wordt men niet ernstig genomen, men wint geen autoriteit en ook geen stemmen. Kijk alleen al maar naar de carrière van Joschka Fischer. De man was een gevatte rebel, die met zijn politieke vooruitgang toenemend zijn komiek talent verloor. In andere landen echter zijn de succesvolste staatshoofden vaak ook de geestigste: Ronald Reagan was weliswaar met zekerheid geen intellectueel, maar hij had gevoel voor het absurde.

``Stromberg´, Christoph Maria Herbst; Copyright: ProSieben/Foto: Oliver Feist Nu hebben Duitse opiniemakers zich tot doel gesteld om de Duitse humor een beetje steun te geven. Tot nu toe zijn zij daarbij niet erg succesrijk. Een journalist van de Rheinischer Merkur leidde zijn artikel in met een grap (een gedurfde noviteit in de Duitse journalistiek). In zijn artikel vroeg Tilmann Gangloff naar het EU- horrorscenario. Zijn antwoord: “De Engelsen koken, de Italianen bouwen auto’s en de Duitsers zijn voor grappen verantwoordelijk.” Dat is niet alleen een domme grap, ze is ook nog eens fout. Er bestaan steeds meer goede Engelse koks (bekijk toch enkel eens de Duitse bestsellerlijsten – Jamie Oliver is er niet meer weg te denken), de Italianen bouwen Ferrari’s – en de Duitsers zijn werkelijk heel grappig. Goed, misschien zijn ze een beetje langzaam, maar ze zijn zeker grappig.

In tussentijd neemt de weekkrant Die Zeit de Duitse humor heel ernstig. Het hoofdartikel over een 9-pagina lange analyse volgt het spoor van de traditie van de Duitse humor tot aan Jean Paul en Heinrich Heine. Jammer genoeg heeft het artikel de lichtheid van een pantser. Wanneer dat de vrienden van de Duitse humor zouden moeten zijn, heeft ze echt geen vijanden nodig.

ARD PSSST ... met Harald Schmidt; Copyright: ARD/Klaus Görgen Er zijn twee eigenschappen die de Duitse humor van de humor van de Amerikanen en Britten onderscheiden, maar ze niet noodzakelijk slechter maakt. Eerst en vooral behoren grappigheid en gevatte opmerkingen niet tot de dagelijkse werkdag. Natuurlijk zijn er de legendarische Berlijnse bekken, de bijtende bemerkingen van de stadsmensen. Maar het weerwoord gaat bij de Duitsers niet zo snel, komt niet zo geoefend over de lippen als bij de collega’s in de VS of in Groot-Brittannië. In Londen kan ik op weg naar het werk met de postbode, de buschauffeur of de poetsvrouw grappig schertsen. Het leven in de Duitse steden heeft een ander ritme: de grap komt uit de televisie, ’s avonds na het eten ter beschikking gesteld door Harald Schmidt en Stefan Raab. Je memoriseert de gags – en zelfs als men ze niet uit het hoofd heeft geleerd, helpt de Bild krant graag en print de beste punchlines – om ze de volgende ochtend op bureau voor te dragen.

Met andere woorden: men heeft maar weinig gevoel voor de absurditeiten van het dagelijks leven. Dat heeft veel te maken met de ondergang van de Jiddische plagerij, die ooit op de Duitse marktplaatsen te horen was en vandaag nog op de straten in Oost- Londen en in de Bronx in New York thuis is. In de tijd van Kurt Tucholsky, de oorlog voor de Holocaust, waren de Duitsers geestiger en hadden meer komische esprit.

Ten tweede beperkt de Duitse taal sterk de mogelijkheden van Stand-Up Comedians. Natuurlijk kunnen zij het publiek verrassen – en om de tuin leiden – door het woord “niet” aan het einde van een lange zin te hangen. Toch opent de Engelse taal voor de komieken veel meer mogelijkheden. De komiek Stewart Lewis levert een zin uit zijn programma als voorbeeld: “Daar zat ik dan. Ik wenste niemand iets kwaads toe. Ik was naakt, met slasaus ingesmeerd en blaatte als een os; en dan stapte ik uit de bus.” Dat is (gematigd) grappig, omdat Lewis het publiek te verstaan heeft, dat hij zijn private, perverse voorliefdes beschrijft, om de luisteraars dan onderhand te zeggen dat het scenario in openbare verkeersmiddelen plaatsgevonden heeft. Deze grap, zo Lewis, zou in het Duits niet functioneren, simpelweg omdat de Duitse zinsbouw het voor verrassingselementen heel moeilijk maakt.

In plaats daarvan rekenen Duitse komieken op idioomgrappen en slap-stick – en de besten zijn werkelijk heel grappig.

Mijn conclusie voor het Busch- jaar luidt dus: Duitse humor is anders, minder ironisch, langzamer, maar ook warmer, hartelijker en (niet zoals in de traditie van Busch) minder bruut. Het is voor de moment in, om de Duitsers te zeggen trots op zichzelf te zijn, dus zal ik u niet aansporen om meer vaderlandslievend te zijn en achter uw humor te staan, wanneer buitenlanders of zelfs cultuurcritici uit eigen rangen maar weer eens het grappentekort beklagen. Ik zeg daarentegen aan de Duitsers: houd niet op met lachen! Want dát is typisch Duits.

Roger Boyes
is Duits journalist voor de Londense dagelijkse krant de “Times“. Hij woont al 20 jaar in Duitsland en is de schrijver van de rubriek “My Berlin“ in de Tagesspiegel. In zijn boek “My dear Krauts” brengt hij met typisch Britse humor verslag uit over de eigenheden van het Duitse dagelijkse leven.

Copyright: Goethe-Institut e. V., Online-Redaktion
januari 2007
Links over dit onderwerp

Weblog: Rory‘s Berlin-Blog

Rory MacLean Weblog
Settling in Berlin: Travelwriter Rory MacLean gives an amusing and insightful account of his new home.

Weblog: “Meet in Finland”

During October, author Ulrike Almut Sandig will be the visiting guest in the HIAP-studio on Suomenlinna, while author Jan Christophersen will be in Tampere.