Het keepen

Keepen – een groot Duits talent

In Engelse scholen is het de dikkerd die in het doel gesteld wordt. Men gaat ervan uit dat louter zijn omvang de bal zal afweren. In Duitsland wordt deze positie toegekend aan een van de meest fitte spelers, de beste springer, de scherpzinnigste geest, de sterkste voetballer. Jarenlang was doelman Olli Kahn zelfs kapitein van het nationale elftal – ondenkbaar in de meeste landen, waar de kapitein verwacht wordt vanuit het middenveld te leiden.

Feit is dat keepen een groot Duits talent is. In de top 30 van keepers aller tijden zijn vier Duitsers terug te vinden – Kahn op nummer 4, gevolgd door Andreas Köpke (tegenwoordig coach van de nationale doelwachters), Bodo Illgner en Jens Lehman (de nationale keeper tijdens het wereldkampioenschap van 2006). Nu denk je misschien: voetbalpraat en het Goethe-Institut, dat gaat toch niet samen. Maar de Duitse vaardigheid om te verhinderen dat de bal in het net gaat, zegt wel degelijk iets over het nationale karakter.

De Engelsen beklagen zich erover dat, wanneer een spel door een penalty beslist wordt, ze tegen de Duitsers altijd verliezen – dankzij de vermeende toverkrachten van de Duitse doelverdedigers. Zo eenvoudig is het nooit geweest. De Duitsers hebben lang en grondig nagedacht over het existentiële duel tussen de doelman en diegene die de strafschop neemt. Schrijver Peter Handke heeft het eenzame moment waarop de doelman naar de, nauwelijks 11 meter ver verwijderde, penaltyschutter tuurt, briljant beschreven. Moet de doelman naar links of naar rechts springen, of gewoon stilstaan? Een beslissing die in een fractie van een seconde moet genomen worden. De Engelse trainers vertellen hun keepers: volg je intuïtie. Er is nauwelijks enige voorbereiding. De Duitsers daarentegen nemen de situatie heel ernst, erkennen de isolatie van de doelman, onderzoeken wetenschappelijk de mogelijkheden, en maken de doelman deel van een systeem, van een team. Dat, durf ik te zeggen, is typisch Duits.

Lehmanns „Spickzettel“

Het Duitse ervan, de effectiviteit, was het duidelijkst te zien bij het wereldkampioenschap voetbal in 2006. Jens Lehmann staat een penalty van de Argentijnen te wachten. Zou Duitsland uitgeschakeld worden? Op het cruciale moment was te zien hoe Lehmann in het doelgebied een stukje papier bestudeerde, schoolkinderen noemen zoiets een “spiekbriefje”. Het schetste de conclusie van de Duitse research over het penaltygedrag van de Argentijnen, en zat voordien in Lemanns sok gepropt. In een onlangs verschenen boek (Der Wahnsinn liegt auf dem Platz, Kiepenheuer & Witsch) legt Lehmann uit hoe het zover gekomen was. Maikel Stevens, de zoon van zijn voormalige trainer bij Schalke, Huub Stevens, had wat cijferacrobatiek beoefend. “Hij had een reusachtige databank met penalty’s, daaruit stelde hij ons vier of vijf pagina’s met penalty’s van Argentijnse spelers ter beschikking.“ Veteraan Andreas Köpke distilleerde deze kennis dan op een enkel blad papier, zodat Lehmann het mee op het speelveld kon nemen.

Het Duitse systeem

Peter Handke: „Die Angst des Tormanns beim Elfmeter“; Copyright: Suhrkamp VerlagEn daar hebben we het: het Duitse systeem. Een combinatie die gebaseerd is op decennialange ervaring (Andreas Köpke, Huub Stevens), spitstechnologie, jeugdig enthousiasme en analyse. Is er een ander land dat zo te werk gaat? Nee, ik geloof dat net die combinatie Duitse ondernemingen geholpen heeft nissen op de globale exportmarkt aan te boren. Ook in andere maatschappijen – vooral in Azië – is er respect voor ervaring, maar de Duitsers zijn er in geslaagd de oude lessen aan te passen en veranderingen sneller dan anderen te vatten. Op het jaarlijkse congres van Duitse doelmannen – en welk ander land heeft er zo een – zei Andreas Köpke: “Geen enkele positie in het voetbal heeft zich in de voorbije jaren zozeer veranderd als dat van de doelman.” Dat verklaart natuurlijk waarom middenvelders of spitsspelers geen eigen jaarlijks congres hebben. Duitsers hebben als eerste ontdekt dat doelmannen ondertussen met grotere lichamelijke inzet spelen. In Köpkes tijd – hij was doelman toen Duitsland het EK voetbal in 1996 won – liep een doelman gedurende een match drie à vier kilometer. Tegenwoordig rent een Duitse doelverdediger tussen de zeven en de acht kilometer, hij loopt naar voren en maakt zo het hele spel offensiever. De moderne doelman moet het spel tot en met het middenveld beheersen, hij is niet enkel meer heer en meester van het strafschopgebied. Daarom zie je Duitse doelmannen zoveel schreeuwen – ze geven instructies.

Het doelmanprobleem

Jens Lehmann is van mening dat een goede doelman volledig moet geconcentreerd zijn op het spel, en niet alleen op de beweging van de bal, maar ook op de tactische ontwikkeling van de tegenspeler. Daarom, zo beweert hij, zijn Duitse keepers beter dan de Engelse. In Groot-Brittannië – en inderdaad in vele andere maatschappijen – worden de meest getalenteerde kinderen vroegtijdig uit school genomen en gaan bij voetbalclubs in opleiding. “Net daar (op school) leer je uren aaneen te concentreren.” De Duitse doelwachters zijn over het algemeen beter opgeleid en gaan meer analytisch te werk.

Maar misschien, heel misschien nemen de Duitsers het keepen – ook op typisch Duitse wijze – wat te serieus? Steeds weer verkondigen de Duitse pulpbladen luidkeels dat het land een doelmanprobleem heeft. In 2006 heette het: moet Olli Khan (alzijdig populair en omstreden) vervangen worden door Jens Lehmann? Destijds leek de hele mannelijke bevolking van Duitsland in Kahn en Lehmann fracties verdeeld. Voor de wereldbeker 2010 is de vraag minder emotioneel. Tim Wiese, Manuel Neuer of Jörg Butt, jeugd of ervaring? De zelfmoord van een van Duitslands topkandidaten, Robert Enke – hij was klinisch depressief en bezweek onder de druk – en het letsel van een andere topspeler René Adler, hebben de keuze beperkt. Maar uiteindelijk komt het Duitse “doelmanprobleem” er op neer dat moet beslist worden wie van de excellente kandidaten een kans krijgt. Andere landen die vertwijfeld op zoek zijn naar een passende nationale doelman, zouden graag dit soort probleem hebben. Duitsland, het spreekt vanzelf, is een van de favorieten voor de Wereldbeker in Zuid-Afrika dit jaar.

Roger Boyes
is Duitsland correspondent voor het Britse dagblad „The Times“. Hij woont al 20 jaar in Duitsland en schrijft de column „My Berlin“ in de „Tagesspiegel“. In zijn boek „My dear Krauts“ beschrijft hij met typisch Britse humor de eigenheden van het dagelijkse leven in Duitsland.

Copyright: Goethe-Institut e. V., Online redactie
Mei 2010

Hebt u nog vragen over dit artikel? Contacteer ons!
online-redaktion@goethe.de

 

    Weblog: Rory’s Berlin-Blog

    Rory MacLean Weblog
    Settling in Berlin: Travelwriter Rory MacLean gives an amusing and insightful account of his new home.

    Weblog: „Meet in Finland“

    Onder „Meet in Finland“ kunt u lezen wat schrijvers en kunstenaars, die op uitnodiging van het Goethe-Institut een langere tijd in Finland doorbrengen, daar beleven.