Autobiografische stripverhalen

Held, © FLIX Zolang strips gerekend werden tot het bereik van de triviale literatuur en daarmee vooral escapistische doeleinden leken te vervullen, was er geen plaats voor autobiografische verhalen. De blik op het eigen leven moet immers realistisch zijn – zoniet zijn de voorwaarden voor een autobiografie niet vervuld. Getekende autobiografieën zetten bijgevolgd een esthetisch emancipatiesignaal. Het komt dus nauwelijks als een verrassing dat die ontwikkeling in het Duitse taalgebied, dat lange tijd sceptisch stond tegenover strips, later begon dan in de Verenigde Staten of Frankrijk. De twee belangrijkste hoofdrolspelers waren de stripauteurs Flix (Felix Görner) en Mawil (Markus Witzel). In Held (verschenen in 2003) vertelde Flix in ieder geval nog over meer dan het heden, hij stelde zich zijn leven voor tot aan de dood. Pas in 2006 begon hij met zijn stripverhaalreeks Heldentage (Heldendagen) een getekend dagboek, en koos daarmee voor de strengste vorm van de autobiografie – weliswaar in de door de reeks vastgelegde omvang van niet meer dan één pagina per dag. Mawil van zijn kant vertelde in Wir können ja Freunde bleiben, beginnend met zijn kindertijd in de DDR, over de eigen amoureuze avances en koos daarmee slechts een klein (maar belangrijk) deel van zijn leven tot op heden als onderwerp.

Illustratie voor “supa hasi merchandising”, Jutebeutel, © Mawil Het genre van de autobiografie heeft zich ook op internationaal vlak pas in de jaren negentig echt groots doorgezet, maar zijn wortels liggen in de Amerikaanse underground, dus dertig jaren voordien. Robert Crumb of Clay S. Wilson kozen hun eigen levensomstandigheden als basis voor hun stripverhalen, om persoonlijker en meer geëngageerd te kunnen vertellen. In Frankrijk waren het vooral de tekenaars van uitgeverij l’Association die autobiografische beeldverhalen populair maakten, vooral dan David B met zijn zesdelige reeks l'Ascension du Haut Mal, over de epilepsie van zijn broer, en Marjane Satrapi, die met Persepolis het grootste succes van het jonge genre oogstte. Lewis Trondheim publiceerde dan weer strip dagboeken en Joann Sfar autobiografische notitieboeken.

Trondheim was de belangrijkste invloed op Flix, terwijl Mawil, net zoals de eveneens in Berlijn wonende tekenaar Andreas Michalke, die de punkscène toegewijd was, duidelijk door de Amerikaanse underground geïnspireerd werd. Het subgenre van de stripreportage, dat in de jaren negentig tot bloei kwam met de Amerikaan Joe Sacco, werd in Duitsland belangrijker dan in andere landen. De Berlijnse tekengroep “Monogatari”, waar ook Mawil toe behoort, heeft met Ulli Lust, Kai Pfeiffer, Tim Dinter en Jens Harder bijzonder actieve hoofdrolspelers van deze bijzondere vorm van autobiografie voortgebracht. Al in 2001 brachten ze gezamenlijk de bundel Alltagsspionage (Dagdagelijkse spionage) uit, met stripreportages uit Berlijn. In 2005 namen Dinter en Harder samen met Jan Feindt deel aan het project Cargo, dat met steun van het Goethe-Institut Israëlische striptekenaars naar Duitsland haalde en Duitse naar Israël bracht, om daar hun indrukken vast te leggen. Een andere inwoner van Berlijn, Dirk Schwieger, publiceerde in 2007 in Moresukine zijn belevenissen in Tokyo, voorafgegaan werd dit werk door de al in 2000 zelf uitgegeven autobiografische reeks Ineinander.
Andreas Platthaus
is redacteur in het feuilleton van F.A.Z.

Copyright: Goethe-Institut e. V., Online-Redaktion
Oktober 2008
Links over dit onderwerp

Facebook

Wordt een fan van "Duitstalige strips" en ontvang regelmatig de laatste nieuwtjes over de Duitse stripscène!

Strips in het onderwijs

Materiaalcollectie van modellen en didactische suggesties voor het werken met Duitstalige strips in het taalonderwijs

Literatuurlijst

Tips voor bibliotheken in het buitenland voor de aankoop van Duitstalige stripverhalen