„Het is niet alleen maar horror en zwart“ – interview met Anke Feuchtenberger door de Japanse stripexpert Miyazaki Toshiki

U was in de winter van 2007 in Japan. Wat vond u van Japan? Wat is u bijzonder opgevallen?
Het heeft mij zeer, zeer goed bevallen. Het was mijn tweede keer in Japan. Ik reis zeer veel, maar niet elke reis is zo inspirerend. Dat heb ik in het bijzonder te danken aan het contact met Yuji Yamada. Hij heeft in Kioto een kleine galerij “Trancepop” genaamd en ik heb daar meermaals ten toon gesteld. Ik heb er ook veel boeken gevonden die mij geïnteresseerd hebben, zo bijvoorbeeld underground- strips in de manga stijl.
Er loopt op dit moment een tentoonstelling hier in Hamburg met de kunstenaars die ik in Kioto bij Yuji ontmoet heb: Asahiko Yamasaki, Chisato Asano, Yukihiro Tada, Jun Nakagawa, Yoshihiro Kizuki, Yumeko Ichigono, Ai Suzuki, Hiroyuki Tsukui, Marie Nakamura, Shinya Hiratake, Mississipi, Taishi Tominaga, Toshihide Fujita, Yoshiyuki Oe en Yosuke Goda. De meeste van hen doen iets tussen illustratie, schilderen, ook poppen, maar nauwelijks louter strips.
Tijdens dit bezoek heb ik in Japan zeer veel in het Manga museum in Kioto getekend. Wij, dat wil zeggen Julia Gordon, Gosia Machon en mezelf, waren uitgenodigd door het Manga museum. We hebben er een expositie gehouden en hebben er een week lang dagelijks vijf uur getekend. De bezoekers konden ons daarbij toekijken.

U stelt uw strips in galerijen en musea ten toon en hebt ook doorgaans een nauwe band met kunst. Zijn strips voor u kunst, zo ja, in welke zin?
Ik maak niet veel onderscheid tussen hoge en populaire cultuur… Misschien kan ik het zo stellen: ik vind het begrip “kunst” moeilijk. Ik respecteer in het algemeen het werk van mensen die proberen om hun omgeving op artistieke wijze te begrijpen, of dat nu door tekenen, schilderen of theater is. Maar wat kunst is, de grote kunst, dat beslist de tijd. Strips zijn voor mij ook artistieke werken. Die mensen proberen immers eigen artistieke werelden te ontwikkelen op een bepaald ambachtelijk niveau. Ik geloof dat vakmanschap ook een rol speelt.
U bent uw artistieke loopbaan niet als striptekenares begonnen. Hoe bent u bij het striptekenen terecht gekomen?
Ik heb grafische vormgeving gestudeerd en ben in de jaren 1990 gestart met het ontwerpen van theateraffiches. Ik was daarmee vrij succesvol. Ik was vooral geïnteresseerd in de verbinding tussen tekst en beeld. Maar affiches zijn altijd maar één beeld, een stilstaand beeld, en wat mij zeer geprikkeld heeft, is wat er voor het beeld en na het beeld gebeurt. Ik kwam terecht bij de strip omdat de strip mij de mogelijkheid biedt literair te werken en tegelijkertijd beelden te scheppen. Ik heb ook zeer veel kostuums en decorontwerpen gemaakt. Daarbij heb ik bemerkt dat de strip mij alle mogelijkheden tegelijkertijd biedt, dus kostuums, scenografie, literatuur en beelden in een enkel werk samen te brengen.
Wanneer bent u voor het eerst met strips in aanraking gekomen?
Ik ben zeer laat met strips in aanraking gekomen, omdat ik uit Oost-Berlijn kom. Er waren daar geen strips. Pas toen de muur gevallen is, kon ik strips voor het eerst uitgebreid bekijken.
Welke mensen lezen uw strips?
Meestal zijn het intellectuelen. Dat moet gezegd. Maar ik heb gehoord dat ook veel jonge mensen, vooral vrouwen, mijn werk kennen. Dat weet ik door mijn zoon. Deze mensen zijn weliswaar geen typische striplezers. Ik heb zoveel mensen ontmoet die mijn strips lezen, maar totaal niet uit mijn scène komen. Dat heeft mij zeer verbaasd.
De eerste editie van “Die Hure H” (“De hoer H) telde 2.000 exemplaren, tegenwoordig verschijnen er van mijn boeken vaak nog maar 1.000 stuk. Het boek wehwehweh supertrane.de (2008) bijvoorbeeld had een oplage van 1.500 stuk. Ondertussen bestaan er ook uitgaven in het Engels, Frans en Italiaans en bijgevolg zijn het er dan meer.
Tekent u uw strips in de eerste plaats voor uzelf of voor de lezer?
Allebei. Ik teken omdat het een experiment met mijzelf is, omdat ik er zeer veel door kan leren. Dat betekent echter ook dat ik niettemin voor anderen teken. Ik wil graag in contact treden. Ik wil graag dat andere mensen mijn verhalen lezen. Ik probeer door het tekenen van verhalen bepaalde dingen voor mezelf op te helderen en neer te schrijven, maar het is niet zo dat ik die dingen vooraf al weet. Ik leer heel veel tijdens het tekenen. En over dit leerproces wil ik graag met anderen communiceren. Voor mij is het van belang dat iemand mijn werk leest en er met mij over spreekt.
Bestaat er een verband tussen de motieven van de vrouw en de stad in uw strips, en uw verblijfplaats in Hamburg en Berlijn, alsook het feit dat u een zoon hebt?
Ik creëer geen autobiografische strips. Ik teken ook geen regionale strips in die zin dat ik over Hamburg een strip teken of over Berlijn of over mijn relatie als moeder van mijn zoon. Ik probeer dingen te tekenen die ik ken, maar op een nogal abstract niveau. Mijn beelden zijn dus niet naturalistisch. Ik probeer dingen die ik ken om te vormen door fantasie, door een symbolisering van bepaalde relaties met de stad, met Berlijn, met Hamburg of met mijn zoon, met mijn vriend, met vrienden.
In dat opzicht spelen al deze dingen een rol. Maar ze zijn niet autobiografisch te interpreteren. In mijn animatiefilm Somnambule is er een kleine haas, en er is de maan. De haas bidt tot de maan. Hij wil met de maan contact hebben. Het is een zeer sprookjesachtige, fantastische situatie. Maar voor mij is dat een heel reële verhouding tussen man en vrouw, tussen moeder en zoon, ook tussen materie, biologische materiën, die wij zijn. Wij hebben immers ook een dierlijk aspect. Ik veronderstel dat ik een soort van mythe gebruik om zeer concrete, ook biografische dingen te vertellen.

Zijn uw strips speciaal voor vrouwen? Hebben uw strips een feministische achtergrond?
Nee. Het zijn strips gemaakt door een vrouw, maar ik werk niet specifiek voor vrouwen. Ik heb in het begin van mijn werk veel vrouwenprojecten gepubliceerd – strips, affiches, illustraties – en werd daarop vastgepind. In realiteit lopen de meeste contacten in het openbaar via mannen, dat wil zeggen, de meeste van mijn galerijhouders, die de originele tekeningen verkopen, zijn mannen, de uitgevers en personen die mijn tekeningen kopen en verzamelen, zijn mannen.
Ik heb eens een verhaal uit het eerste volume van “Die Hure H” (1996) getoond tijdens een discussieronde in Japan. Een van de reacties daarop was, dat de strip blijkbaar over een lesbienne ging. Ziet u dat ook zo?
Neen. Dat verbaast me. Waarom? Is het belangrijk om het te classificeren, zoals je Shojo Manga zegt? Voor mij is het geen verhaal over lesbische vrouwen. Voor mij is het een verhaal over seksuele ervaringen en daarvan zijn er in het boek verschillende.
Hoe belangrijk is het voor u dat uw strips Duitstalig zijn?
Dat vind ik niet zo belangrijk. Ik lees in het Engels en in het Italiaans. Ik kan soms niet meer herinneren in welke taal ik een bepaalde strip gelezen heb. Ik vind dat je strips heel goed in andere talen kan lezen. De taal is zeer eenvoudig. Ik kan strips jammer genoeg niet in het Frans lezen. Ik lees ook Japanse strips, manga’s. Met Kerstmis heb ik Bug Boy gelezen van Hino Hideshi. Complete horror. Jammer genoeg kan ik de Japanse strips enkel in het Engels lezen.
Bij mijn strips is de taal voor mij belangrijk, als materiaal. Ik werk zeer lang aan de taal. Ik probeer een zo exact, maar ook zo kort mogelijke formulering te vinden. De negen stripverhalen over Hure H heb ik samen met schrijfster Katrin de Vries uitgewerkt. Ik vind het ook heel belangrijk dat mijn werk goed vertaald wordt. Bug Boy werd vanuit het Japans naar het Engels vertaald en daarna van het Engels naar het Duits, zeer slecht. Dat irriteert mij.
Hoe belangrijk is de hedendaagse Duitse stripscène voor u?
Heel belangrijk. Omdat ze nog zeer jong is. Doordat ik aan de universiteit onderwijs heb ik een heel goed contact met de tekenaars, er beweegt zich momenteel zeer veel. Het is zeer interessant om te zien hoe jonge tekenaars het concept van de conventionele strip voor zichzelf veranderen. Ik ken zeer veel tekenaars persoonlijk, in Frankrijk, Italië en ook in Amerika. Dat is concurrentie, maar een zeer mooie vorm van concurrentie die inspirerend werkt.
Wat doceert u aan de universiteit?
Ik doceer illustratie en tekenen. Omdat ik zelf striptekenares ben, heb ik geprobeerd om het thema tekening en illustratie in die richting uit te breiden.
Wat is tekenen voor u? Waarom tekent u?
Voor mij is het de meest originele manier om notities te maken. Het is zoals schrijven. Ik heb enkel een pen nodig, anders niets. Ik heb geen kleuren nodig. Ik heb geen uitrusting nodig. Een stuk papier en een potlood zijn voldoende, en ik vind dit een heel natuurlijke en zeer directe wijze om dingen te begrijpen, op te tekenen, te herkennen. Dit proces, deel uit te maken van de wereld, te kijken en te observeren en alles in je op te nemen, gebeurt het snelst, en op meest directe wijze, door de tekening.
Hoe belangrijk zijn Oosterse tradities voor uw werk?
Heel, heel belangrijk. Als kind heb ik zeer veel boeken met Japanse gekleurde houtsneden gezien. Ik ben daardoor erg beïnvloed. Voor mij is er altijd een connectie met de druktechniek en ik vind de Japanse druktechniek ongelooflijk interessant en leerzaam.
In Duitsland hadden Japanse gekleurde houtsneden invloed op de Jugenstil. Houdt u van Jugendstil?
Niet bijzonder. Het heeft mij niet bijzonder beïnvloed. De Japanse kunst is veel sterker voor mij, minder zoet. De combinatie van Japanse houtsnede in kleur en expressionisme, dat was mijn begin. Vandaag is dat anders. Toen ik affiches maakte, werkte ik sterk vanuit de cultuur van het printen. Tegenwoordig maak ik enkel tekeningen. Maar over de Japanse drukcultuur wil ik nog veel leren.
Zijn er nog affiches van voor de val van de muur?
Die affiches bestaan niet meer, het ging om kleine oplagen. Ze hangen allemaal in musea of bevinden zich in privé-bezit. Ik heb nog van elk een exemplaar, maar in een opslagruimte. Ik heb een volledige editie aan het Hamburgse Museum für Kunst und Gewerbe (Museum voor Kunst en Nijverheid) gegeven, maar de werken liggen er in het archief, ze worden niet tentoongesteld. U kunt echter het boek Die Biographie der Frau Trockenthal (De biografie van mevrouw Trockenthal) inkijken, de affiches van weleer staan er in afgebeeld.
We hebben over het heden en over traditie gesproken, maar hoe ziet u de toekomst van het medium strip? Ten opzichte van de computer en het internet is vaak de rede van een crisis bij de printmedia. Speelt dat voor u een rol?
Dat is moeilijk. Ik kan dat niet beantwoorden. Ik ben zelf zeer ouderwets, conservatief ingesteld. Daarom heb ik ook een uitgeverij opgericht. Ik hou van boeken. Ik weet dat de ontwikkeling anders is. Er zijn strips op het internet, er zijn „elektro-strips“ . Er zijn strips die je enkel nog digitaal kunt bekijken. Maar voor mij ontbreekt er dan iets. En daarom kan ik niet zeggen hoe de toekomst van de strip er uit zal zien. Misschien ben ik zoals een dinosaurus. Het boek van Julia Gordon is ook zo. Wij hebben deze uitgave gemaakt en toen we op het stripfestival in Hamburg stonden en de mensen de boeken ter hand namen, zeiden ze: “Oh, hoe leuk, dat kun je vastpakken.“ Dat was voor mij zeer belangrijk. En dat aspect ontbreekt op het internet.
Hoe belangrijk zijn tekenen en vertellen voor uw werk? Is voor u het tekenen of het verhaal belangrijker?
Critici verwijten me vaak dat ik geen verhalen kan vertellen. Maar voor mij is het verhaal heel belangrijk. Ik werk nu aan een nieuw verhaal waar ik eerst meerdere maanden alleen maar aan geschreven heb, zonder iets te tekenen. Wanneer ik teken, dan heb ik de tekst aanvankelijk enkel nodig als leidraad. Anders maak ik vrijere tekeningen en die vertellen geen verhaal in enge zin en hebben geen tekst nodig, of enkel als verruiming.
Hoe belangrijk zijn deze beide middelen voor u om een fantastische, droomachtige atmosfeer te scheppen?
De tekst creëert een soort structuur voor het verhaal en de tekening schept de atmosfeer, die kan ik niet vertellen, die moet ik per hand creëren en aan de hand van een soort licht. Dat zijn twee verschillende dingen. Al ik alleen maar zou schrijven, dan zou voor mij een belangrijk deel van deze atmosfeer ontbreken.
Ik werk graag met zogenaamde fouten. Dat is voor mij zoals scheelzien en slechthorend zijn. Wanneer ik sommige woorden die anderen uitspreken niet correct versta (dat overkomt mij vaak in het Italiaans), of ik denk iets gezien te hebben dat er dan helemaal niet blijkt te zijn, wanneer ik dat ernstig neem en het niet als onzin afdoe, dan ontstaat daardoor een niveau van waarneming die zeer inspirerend en sprookjesachtig is. Vaak heeft die wereld haar eigen logica. De droom is voor mij zeer inspirerend. Indien ik zou bereiken wat dromen volbrengen, in hun wonderbaarlijk overtuigende logica en speciale humor, dan zou ik tevreden zijn.
Masereel geldt als een van de pioniers van strips in Europa. Waarom moet u niet van hem weten?
Wie heeft gezegd dat Masereel de pionier van strips in Europa is? Ik vindt dat Rodolphe Töpffer de pionier van de Europese strips is. Ik vindt dat Masereel zeer hard is, zeer stilistisch. Hij heeft een sterke stijl, maar zeer zwart en wit, ook in figuurlijke zin; niet flexibel en voor mij niet zo vertellend. Ik ben zeer geïnteresseerd in het verhaal. Daarom is Rodolphe Töpffer mijn voorbeeld. Hij is in staat vertelling en tekening met elkaar te verbinden. Hij heeft een ambivalente wereld die niet enkel zwart en wit is, niet enkel maar goed en slecht, het heeft alles. Masereel vind ik zeer eenzijdig.
Uw werken worden onder andere gekenmerkt door een eigenzinnig handgeschreven belettering. Waarom gebruikt u een E met 4 strepen?
Dat komt uit mijn kinderjaren. Als kind begreep ik dat “E” een letter met strepen is. Maar hoeveel strepen, daarover dacht ik niet na. Ik kon nog niet tellen. Ik ben geen kind meer, maar dat is iets dat ik behouden heb, omdat ik probeer de wereld op die manier te zien – ik probeer niet de conventies, maar mijn eigen indruk serieus te nemen. En mijn indruk bij de “E” is: veel strepen. Als je kinderen ziet tekenen, dan zie je dat ze zeer veel vingers tekenen, omdat ze denken, er zijn veel vingers … hoeveel, dat is om het even. Wanneer je iets beweegt, dan is er altijd veel van.
Welke van uw werken beschouwt u zelf als representatief?
Dat is moeilijk. Representatief voor mijn werk is net dat ik zeer onregelmatig te werk ga. De beelden mogen natuurlijk als mijn beelden herkenbaar blijven, maar een eindeloze herhaling van stijl gaat mij vervelen. Dat wil zeggen, ik probeer mijn stijl te veranderen. Misschien is Wenn mein Hund stirbt, mache ich mir eine Jacke (Wanneer mijn hond sterft, maak ik een jas voor mezelf) representatief, omdat het veel verschillende symbolenen benaderingen bevat. Mijn werken variëren van vrije tekeningen, kattebelletjes in mijn dagbak, tot werken in opdracht.

Waarop moeten de lezers bij uw werken letten? Hoe zou u willen dat uw werken gelezen worden?
Ik zou graag hebben dat ze hun tijd nemen en geen vooroordelen hebben. Ik merk immers vaak dat mensen over iets oordelen, vooraleer ze het echt bekeken hebben. Ik geloof dat je tijd en een open blik nodig hebt om bepaalde dingen niet onmiddellijk in een hokje te steken, dus niet onmiddellijk zeggen “ah, feministisch en lesbisch”, maar misschien eerst eens kijken hoe iemand op zulke ideeën gekomen is.
In het boek wehwehweh supertrane.de staan er tekeningen die veel mensen donker en zwart vonden en dat betekent dan onmiddellijk: negatief, droevig, somber. Maar voor mij is dat niet zo. Kool is een zeer duister materiaal, dus moet ik licht creëren. Dit is ook een hint over de wijze waarop je het beeld kan bekijken: bekijk je het beeld met het oog op het licht, dan is het niet somber. Ook in figuurlijke zin. Het is niet alleen maar horror en zwart. Er zit voor mij ook zeer veel leven in.

Ten slotte nog deze vraag: wat zou u voor kunst of voor de strip doen, indien u veel tijd en geld had?
Ik heb niet veel geld, maar ik heb een kleine uitgeverij opgericht, met name voor jonge mensen. Als ik meer geld had, zou ik meer boeken van andere kunstenaars maken en ook een betere distributie hebben. Dat heb ik jammer genoeg niet en zo probeer ik met kleine oplagen bijzonder mooie boeken te maken. De manier waarop de boeken gemaakt worden, hoe de bindingen zijn, de kleuren, dat alles is heel belangrijk voor mij. En dat de boeken niet duur zijn. Ik vind het verschrikkelijk wanneer je boeken niet kan kopen omdat ze te duur zijn. Ik hou van boeken die goed zijn en toch goedkoop, en die niet de mainstream dienen, maar een geheel eigen wereld creëren, zoals deze boeken van Julia Gordon en Birgit Weyhe.

Copyright: Goethe-Institut Japan












