Meertalige werknemers
Kennis van talen en culturen: een belangrijke economische factor

Bedrijven hebben voordeel bij de vreemde talenkennis van hun medewerkers.
Bedrijven hebben voordeel bij de vreemde talenkennis van hun medewerkers. | Foto: Diogo Basílio © iStockphoto

Veel bedrijven laten kansen liggen omdat ze te weinig investeren in de kennis van vreemde talen en culturen. Vooral kleinere bedrijven zouden vaker medewerkers naar het buitenland moeten sturen.

Vergaderen met internationale zakenpartners, besprekingen voeren met toeleveranciers, het verkopen van producten en diensten in het buitenland of het zoeken naar potentiële buitenlandse klanten: in al die situaties moeten bedrijven zich aan andere talen en culturele omgangsvormen kunnen aanpassen. Eind 2006 toonde een studie bij bijna 2.000 kleine en middelgrote bedrijven in Europa al aan dat de economie er baat bij heeft als hun medewerkers een uitgebreide talen- en interculturele kennis hebben. Net omdat ze op dat vlak vaak achterophinken, laten kleine en middelgrote bedrijven in Europa elk jaar kansen liggen.

“Als exportland heeft zeker Duitsland nood aan meertalige werknemers.”

Wat vijf jaar geleden gold voor Europa, geldt tot op vandaag in het bijzonder voor Duitsland: “Duitsland is een exportland. Daarom hebben we in onze bedrijven leidinggevenden en vaklui nodig die met klanten uit de hele wereld kunnen communiceren en onderhandelen,” zegt Barbara Fabian, hoofd van de afdeling EU-opleidingsbeleid van de koepelvereniging van Duitse Kamers van Koophandel en Industrie. Zulke medewerkers moeten niet alleen vreemde talen beheersen, maar moeten ook goed beseffen “dat klanten in China, India of Frankrijk andere gewoontes kunnen hebben”.

Daarom raadt Fabian de bedrijven aan om hun medewerkers al tijdens de opleiding voor langere tijd naar het buitenland te sturen: “Gelukkig mogen leerjongens- en meisjes volgens de Beroepsopleidingswet van 2006 tot een vierde van hun opleidingstijd in het buitenland doorbrengen.” Haar eigen ervaring is dat vooral sterk presterende jongeren graag naar het buitenland willen. “Ter plaatse kunnen ze de vreemde taal en cultuur het beste beleven. Bovendien biedt de ervaring unieke kansen voor hun persoonlijke ontwikkeling.”

Kleine en middelgrote bedrijven mee aan boord halen

Ondanks dat alles gaan naar schatting maar drie procent van de werknemers in opleiding naar het buitenland. De meesten van hen werken bovendien voor grote bedrijven: “Grote bedrijven hebben vaak geschikte contacten in het buitenland en kunnen hun leerjongens en -meisjes bijvoorbeeld in een eigen buitenlands filiaal inschakelen. Bovendien hebben ze vaak een uitgebreider programma voor personeelsontwikkeling. Bij kleinere bedrijven is dat anders,” aldus Fabian. Verder worden de aanvragen voor Europese opleidingsprogramma‘s in grotere bedrijven vaak ingediend door opleidingsverantwoordelijken, terwijl kleine en middelgrote bedrijven voor dat soort dingen vaak niet de juiste mogelijkheden hebben.

Achterstand inzake internationale mobiliteit

De koepelvereniging van Duitse Kamers van Koophandel en Industrie probeert met gericht mobiliteitsadvies meer kleine en middelgrote bedrijven bij de internationale uitwisseling te betrekken. Volgens Fabian hebben die op dat vlak immers nog een grote achterstand, terwijl ze toch een zeer belangrijke rol spelen in de Duitse economie: “Bijvoorbeeld in sectoren zoals machinebouw, metallurgie en elektrotechniek heeft Duitsland in vergelijking met andere Europese landen een zeer sterke en exportgerichte middenstand. Maar veel klanten willen niet zomaar een machine uit Duitsland kopen. Ze willen ook dat een medewerker van het Duitse bedrijf de machine ter plaatse komt monteren en regelmatig langskomt voor controle en onderhoud. In dat geval is het natuurlijk een voordeel als zulke medewerkers het land goed kennen en vlot met de plaatselijke bevolking kunnen communiceren.”