Berlijnse School Film, verrassend en gevaarlijk

„Dealer“ (1999) van Thomas Arslan
„Dealer“ (1999) van Thomas Arslan | Foto (detail): © Peripher Filmverleih

Halverwege de jaren 90 zorgden de filmmakers van de Berlijnse School voor radicaal nieuwe beelden van de Duitse samenleving. Ook nu nog heeft hun werk veel over het eigen land te vertellen.

Als we terugkijken op het Duitse filmlandschap van de jaren 90, dan zien we vooral banale komedies – relatiecrisissen tussen vrouwen en mannen, tegen de achtergrond van een snobistisch milieu in een grootstad van de Bondsrepubliek. De Duitse film leek de confrontatie met de nieuwe tijden te schuwen: 1989, de val van de Muur, de hereniging en de grote omwentelingen waren thema’s die maar zelden het witte doek haalden. De grote sociale, politieke en culturele veranderingen speelden zich vooral af in het oosten; in de rest van het land waren ze minder duidelijk, minder tastbaar. Terugblikkend kan men de films van de zogenaamde Berlijnse School ook beschouwen als documenten van een veranderende samenleving, gezien vanuit een West-Duits oogpunt. Net door hun eerder terughoudende benadering van personages, plaatsen en sferen vormen de eerste films van Christian Petzold (geboren in 1960), Thomas Arslan en Angela Schanelec (beide geboren in 1962), die allen studeerden aan de Deutsche Film- und Fernsehakademie Berlin (Duitse Film- en Televisie-academie Berlijn), een sensatie in de rechtgeaarde Duitse film van de jaren 90.

Innerlijke onzekerheid

Mein langsames Leben (2001) van Angela Schanelec Mein langsames Leben (2001) van Angela Schanelec | Foto (detail): © Peripher Filmverleih Ze weerspiegelen een onbewuste twijfel: het gevoel dat de geschiedenis een andere loop neemt, maar dat men zelf daarin zijn eigen rol nog niet kent. Het is net die twijfel, die innerlijke onzekerheid, die het gesprek tijdens het avondeten in een oude Berlijnse woning telkens weer doet stokken: Mein langsames Leben (2001) van Angela Schanelec kan men vandaag ook zien als een studie van het leven in West-Berlijn, dat zichzelf na de val van de Muur opnieuw moest definiëren. Hoe beminnen, leven en werken wij nu? Dat soort vragen staat centraal in de erg persoonlijke films van Schanelec; naar de antwoorden wordt gezocht in de herenigde stad.

De films van Thomas Arslan over het leven in Berlijn-Kreuzberg (Geschwister, 1997; Dealer, 1999; Der schöne Tag, 2001) hebben intussen een haast documentair karakter gekregen. Schijnbaar in real time trekken zijn jeugdige helden en heldinnen, meestal van Turkse afkomst, door een nog nauwelijks sociaal, cultureel en economisch opgewaardeerd Kreuzberg. Ze slijten hun dagen doelloos en ongedwongen en voelen zich een deel van deze stadsbuurt, die weldra echter niet meer van hen zal zijn. Vandaag zou de omgeving rond Görlitzer Park geen goede plek zijn voor hun jeugdige driften.
 

Die innere Sicherheit (2000) van Christian Petzold staat dan weer stil bij de toestand van politiek links in Duitsland. Petzold gebruikt het beeld van een klein gezin, een voormalig terroristenkoppel, dat samen met hun dochter in een witte Volvo door het Duitse platteland rijdt. De drie schijnen afgesloten van hun omgeving. “Links is in Duitsland twee keer doodgegaan, de eerste keer in de Duitse Herfst, de tweede keer na de instorting van de DDR. Links begon zich te barricaderen in de eigen voorzieningen met kinderdagverblijven, natuurwinkels en verbouwde zolderwoningen,” zegt Christian Petzold.
 

Het past bij de houding van deze films dat ze geen klassiek verhaal vertellen, omdat ze niet in een grotere historische vertelling in te passen zijn. In plaats daarvan krijgen we het echte leven op het witte doek te zien, gevoelens van mensen, in alle rust geregistreerde taferelen op parkeerplaatsen, in de straten van Berlijn of in keukens van woongemeenschappen. Precies die in lichte, heldere beelden gevatte situatieschetsen openen bij de bioscoopbezoeker de ogen voor de Duitse realiteit.

Filmkritiek maakt de Berlijnse school

Deze films nemen inderdaad een radicaal subjectief standpunt ten opzichte van hun onderwerp in, om op die manier weer tot een algemene beschrijving van de maatschappelijke toestand te komen. Dat nieuwe perspectief wordt door critici toegejuicht en bedacht met het etiket ‘Berlijnse School’. Het gaat hier dus niet om een beweging zoals de nouvelle vague in Frankrijk, om een verbond van regisseurs die zich aansluiten bij een bepaalde visie op de filmmakerij. Integendeel, filmcritici voelen zich door de Berlijnse School weer thuis in de Duitse cinema – ook omdat het hier gaat om regisseurs die zich in de Duitse en de internationale filmgeschiedenis verdiept hebben. Op het witte doek gaan ze een gepassioneerde dialoog met hun voorgangers aan, omdat ze weten dat aan elk beeld een (voor-)beeld voorafgaat. Met de Berlijnse School wordt in Duitsland het debat over film – zoals dat ook het geval was ten tijde van de Nieuwe Duitse Film in de jaren 60 en 70 – weer geopend, en wordt er opnieuw gedebatteerd over het maatschappelijk belang van deze kunstvorm.

“Film moet gevaarlijk zijn”

Jongere regisseurs als Maren Ade, Valeska Griesebach, Ulrich Köhler, Benjamin Heisenberg en Christoph Hochhäusler grijpen dit debat aan. Ook buiten de bioscoop en de filmwereld houden ze zich intens bezig met hun medium en de mogelijkheden ervan. Men organiseert filmvertoningen met nabespreking, podiumgesprekken over één bepaald onderwerp, en in 1998 ontstaat het filmtijdschrift Revolver. In het eerste nummer publiceert mede-uitgever Christoph Hochhäusler een pamflet met als titel “Kino muss gefährlich sein” (“Film moet gevaarlijk zijn”), waarin hij het hoofdbeginsel van deze tweede generatie filmmakers van de Berlijnse School samenvat: “Laten we realistisch zijn, laten we de werkelijkheid onderzoeken. Laten we de pijngrenzen aftasten met de middelen die film ons biedt. Laten we streven naar films die niet voor de hand liggend maar wel persoonlijk zijn, die niet na-apen maar waarnemen.”

Ronald Zehrfeld, Christian Petzold, Nina Hoss (Phoenix) Ronald Zehrfeld, Christian Petzold, Nina Hoss (Phoenix) | Foto (detail): © Piffl Medien Ondertussen wordt het begrip Berlijnse School nauwelijks nog gebruikt. De jaren waarin de regisseurs dit label nodig hadden om nieuwe wegen te kunnen en durven betreden, zijn al lang voorbij. Hun films blijven echter wel verrassend en gevaarlijk en gaan ongeacht het genre nog steeds over de werkelijkheid. In zijn western Gold (2013) herinnert Thomas Arslan aan Duitsland als een land van emigranten, en Christian Petzold volgt in zijn eigenzinnige thriller Phoenix (2014) een Joodse die na de Tweede Wereldoorlog vertwijfeld op zoek gaat naar haar oude Duitsland en haar geliefde.

Toni Erdmann (2016) van Maren Ade Toni Erdmann (2016) van Maren Ade | Foto (detail): © NFP Filmverleih In Toni Erdmann (2016) van Maren Ade, een tragikomedie die wereldwijd belangstelling opriep, hult een vader en voormalig lid van de protestbeweging van 68 zich in een pijnlijke vermomming om zijn dochter, die een heuse carrièrevrouw is geworden, uit te dagen en haar aandacht te trekken. Ook dankzij deze opvolgers van de Berlijnse School krijgt de Duitse film na jarenlange onzichtbaarheid weer internationale aandacht – net omdat de films en hun nauwkeurige kijk op de wereld iets over eigen land te vertellen hebben.
 
Rajendra Roy, Anke Leweke: The Berlin School: Films from the Berliner Schule, MoMA 2013