Lucky Luke Tussen film en theater

Lucky Luke
Lucky Luke | © Lucky Comics & Maurice De Bevere

Als het over “Lucky Luke” gaat, de beroemde westernstrip bedacht door de Belgische stripmaker Morris (pseudoniem van Maurice De Bevere; 1923–2001), wordt vrijwel altijd de vergelijking met film gemaakt. Terecht. Het is geen toeval dat Morris aanvankelijk een carrière in de animatiefilm ambieerde, en dat hij in veel van zijn strips met de stereotypes van de westerncinema speelt. Maar toch is “Lucky Luke” veel meer dan dat.

Al in zijn jeugd las Morris de strips van Hergé en de beeldverhalen die in de jaren ’30 uit de Verenigde Staten kwamen overgewaaid: Popeye, Katzenjammer Kids en Mickey Mouse. Het zou zijn wereldbeeld blijvend bepalen, zoals ook de eerste animatiefilms dat deden. Thuis en op school raakte hij geïntrigeerd door filmprojectoren, en hij experimenteert er op los. Toch ging Morris rechten studeren aan de universiteit van Leuven, maar zijn ambities lagen elders: hij wilde tekenaar worden, en volgde naast zijn studies een schriftelijke cursus bij de Franse animatiefilmer Jean Image (pseudoniem van Imre Hajdu; 1911–1989), met wie hij een persoonlijke correspondentie onderhield. Vanaf 1944 ging hij als inkter aan de slag bij een Brusselse animatiestudio, waar hij André Franquin leerde kennen. De latere tekenaar van Robbedoes en Kwabbernoot en Guust Flater werd een vriend voor het leven. Later zouden ze samen met hun oudere collega Jijé naar de Verenigde Staten trekken voor een vergeefse poging om bij de tekenfilmstudio’s van Walt Disney te gaan solliciteren.

Morris zag snel dat het moeilijk zou worden om met het tekenen van animatiefilms zijn brood te verdienen. Meteen na de Tweede Wereldoorlog verzon hij cowboy Lucky Luke die met zijn paard Jolly Jumper door het Wilde Westen trekt om de misdaad te bestrijden. De strip over dat duo brengt hij onder bij het blad Spirou van uitgeverij Dupuis (dat in het Nederland verschijnt als Robbedoes) en de rest is geschiedenis. Tot vandaag geldt de reeks (die ook na de dood van Morris wordt verdergezet) als een klassieker van de Belgische strip, die in wereldwijde bekendheid niet moet onderdoen voor Kuifje of De Smurfen.

Van westernster tot schijnheld

Aanvankelijk schreef hij zelf de verhalen, maar na een jaar of tien ging hij een beroep doen op een Frans-Argentijns-Joodse scenarist die hij in New York had leren kennen: René Goscinny, de legendarische scenarist van Asterix. Van 1955 tot aan diens dood in 1977 schreef hij de scenario’s. Goscinny zorgde daarbij voor een fikse injectie verwijzingen naar de Amerikaanse beeldcultuur, vooral naar de Amerikaanse western. Het album De postkoets is meer dan zomaar een knipoog naar de filmklassieker Stagecoach. En het personage Elliot Belt in De premiejager lijkt niet toevallig op Lee Van Cleef, de acteur bekend uit onder meer The Man Who Shot Liberty Valace en The Good, the Bad and the Ugly. Het maakt dat het in vrijwel elk stuk over Lucky Luke nog altijd over de link tussen Lucky Luke en de filmwestern gaat. Ook al omdat in de loop der jaren een paar verfilmingen volgden, en een animatiereeks werd gemaakt.

Maar af en toe zijn er schrijvers die zich daar aan onttrekken. Soms met verrassend resultaat. In 1973 verscheen Schijnhelden en nepschurken, een boekje met beschouwende artikels over strips. Dat betekende toen nogal wat. Strips waren op dat moment nog een ondergeschoven kindje, en de auteurs van dit boek hadden een stevige reputatie. Het ging om de Nederlandse schrijver Rudolf Geel en de kunsthistoricus Rudi Fuchs, die later onder meer bekend zou worden als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam en als curator van documenta 7 in Kassel. Hun kijk op strips is even erudiet als verfrissend. Zo zien zijn Lucky Luke niet als een getekende pendant van de filmwestern, maar als een variatie op de commedia dell’arte. Niet film is hun referentiepunt, maar het theater.

Wereldreizende met goddelijke trekken

“De commedia dell’arte-structuur van Lucky Luke-verhalen blijkt het duidelijkst uit de rolbezetting. De ‘jeune premier’ Lucky Luke is goudeerlijk. Hoewel aangeduid als cowboy, voert hij dat beroep nooit meer uit. Ook is zijn verleden onbekend. Hij trekt rond en wordt hier en daar door goedwillende dorpsbewoners of door een overheid (de gouverneur, de directeur van de gevangenis waaruit steeds de Daltons ontsnappen) overgehaald om hen bij te staan de misdaad te bestrijden. Nooit hoeft hij daarover na te denken: hij zegt direct ja. Geld dat hem voor zijn dienst wordt aangeboden, weigert hij. Als men plannen maakt om hem te huldigen, knijpt hij er tussenuit”, schrijven Fuchs en Geel. “Hij is razendsnel met de revolver, maar nooit schiet hij iemand neer. Op mensen schiet hij ineens altijd mis. Met dat al kan met enige zekerheid worden gezegd dat Luke niet bestaat: hij is de Onbaatzuchtige, Behulpzame Goedheid, bijgestaan door een niet minder metafysische verschijning, het Sprekende Paard.”

Ook de setting van de verhalen wijst op een toneelcontext, vinden ze. “Per verhaal is Luke’s wereld ook precies zo begrensd als een toneel. Eenmaal op de plaats van handeling aangekomen, blijft hij daar tot de tegenstander verslagen is. Pas dan trekt hij verder. Dat trekken zelf is niet van grote betekenis; het verhoogt alleen het effect van Luke’s opmerkelijk aanpassingsvermogen en inzicht: hij kent de wereld omdat hij veel reist.”

Lucky Luke, een cowboy die pendelt tussen film en theater.