Hergé Meester van de ligne claire

Hergé
© Moulinsart & Atelier de Portzamparc

De nieuwe film van Steven Spielberg neemt ons mee in de avontuurlijke wereld van de sympathieke stripheld “Kuifje”, waarmee de Belgische stripkunstenaar Hergé zijn internationale doorbraak kende. Een blik in de fascinerende wereld van een meester van de negende kunst, die allang heeft bereikt waar hij ooit van droomde.

Steven Spielberg zelf was in oktober 2011 op bezoek in Brussel, om er zijn nieuwe blockbuster voor te stellen – The Secret of the Unicorn, de eerste van drie films over de avonturen van Kuifje of The Adventures of Tintin. Het viel aanvankelijk moeilijk te geloven dat de enigszins ouderwetse stripreeks na een meer dan 25-jarige filmische ontstaansgeschiedenis het publiek van vandaag nog zou kunnen overtuigen. Maar de film schopte het al meteen tot een onvervalste kaskraker. Het geheim van dit succes ligt in de slimme mix van de modernste 3D-technieken, de uit verschillende Kuifje-avonturen samengestelde actie en de getrouwe weergave van de oorspronkelijk strippersonages.

Dat uitgerekend een Amerikaan door middel van een film Kuifje weer in de schijnwerpers zet, zowel in België als daarbuiten, kan verrassend lijken. Maar het was Hergé zelf die kort voor zijn dood in 1983 de wens uitsprak dat zijn succesrijke stripreeks door Spielberg zou worden verfilmd.

De bonte wereld van Hergé

Wie zich in Brussel, de thuisstad van Hergé, op het spoor van de kunstenaar begeeft, stoot vooral op de talrijke, met fel uitvergrote stripfiguren beschilderde muren. Op een boogscheut van Brussel, in Louvain-la-Neuve, werd in 2009 het Hergé Museum geopend. Het heldere en moderne gebouw, een ontwerp van architect Christian de Portzamparc, nodigt uit om een duik te nemen in het leven en werk van de Belgische meester. Al bij het binnenkomen wijzen museummedewerksters Katia Baran en Bénédicte Rombeau ons erop dat hier veel meer te ontdekken valt dan enkel De Avonturen van Kuifje.

De leerzame audiotour, die men ook in het Duits kan volgen, is daarbij zeer handig. Zo komen we onder meer te weten dat Georges Remi, wiens artiestennaam “Hergé” het resultaat is van de omkering van zijn initialen, al in 1923 in een blaadje voor padvinders zijn eerste strip publiceerde, De Avonturen van Totor, een kleine jongen die al bepaalde trekken van de latere Kuifje vertoont.

De eerste Kuifje-albums waren vruchten van hun tijd. Het eerste verhaal, Kuifje in het land van de Sovjets, dat in 1929 verscheen in Le Petit Vingtième (een jongerenbijlage van de katholieke krant Le Vingtième Siècle), is duidelijk anticommunistisch. Ook het tweede album, Kuifje in Afrika, is omstreden, en wel wegens de voorstelling van het kolonialisme. “Hergé had toen nog niet gereisd en was beïnvloed door de toenmalige tijdgeest. Hij zoog alle invloeden op als een spons. Zijn ontmoeting met de Chinese beeldhouwstudent Tschang Tschong-Jen veranderde zijn kijk op andere culturen, die hij vanaf dan zo waarheidsgetrouw mogelijk wilde voorstellen. Dat zie je vanaf het vijfde album, De Blauwe Lotus, waarin ook Tschang Tschong-Jen als vriend van Kuifje een rol speelt,” aldus Rombeau.

Tijdens de Duitse bezetting van België in de jaren 1940 verschenen de verhalen van Hergé in de krant Le Soir, die door de Duitsers gecontroleerd werd. De kunstenaar vermeed de censuur door zeer fantasierijke verhalen te scheppen, die ook vandaag nog zeer gewaardeerd worden door de lezers. Ook de uiterlijke kenmerken veranderden: hoewel de albums van Hergé wegens een gebrek aan papier werden ingekort, koos uitgever Casterman voortaan voor kleurendruk. Hergé nam zijn eerste assistent in dienst, Edgar Pierre Jacobs, die later beroemd zou worden met Blake en Mortimer. Toen Hergé samen met Raymond Leblanc in 1946 een eigen tijdschrift Kuifje op de markt bracht, lag de weg open voor de internationale doorbraak.

Naast Kuifje verschenen vanaf 1930 ook vijf albums met verhalen over de Brusselse kwajongens Quick en Flupke. De uitgevers van de Franse krant Coeurs vaillants hadden zo hun eigen idee over striphelden: Kuifje was wel populair, maar hij had geen ouders, ging niet naar school en verdiende de kost niet, zo luidde hun kritiek. Zo ontstonden in 1935 Jo, Suus en Jokko, de avonturen van een broer en zus en hun chimpansee. Maar Hergé kon zich naar eigen zeggen niet in de personages vinden. Kuifje was en bleef zijn meesterwerk. De strips verschenen in een vijftigtal talen en er werden zowat 200 miljoen exemplaren verkocht.

Sympathieke avonturen

Het enorme succes van de Kuifje-verhalen is ongetwijfeld deels te danken aan de twee sympathieke hoofdpersonages: Kuifje, de nieuwsgierige, hoffelijke en nooit perfecte held, en zijn trouwe vriend Bobby, een witte terriër. “De figuren van Hergé vertegenwoordigen universele werelden, die ons allen meeslepen. Het is de taak van Kuifje om ons te laten dromen, ons te laten lachen en ons dingen bij te brengen,” vindt Rombeau. Maar er is nog een personage dat in de albums een steeds belangrijkere rol gaat spelen: de antiheld Kapitein Haddock met zijn alcoholprobleem en andere onvolmaaktheden. In hem zag Hergé zijn echte alter ego. Of was het toch Kuifje? “Hergé voelde zich erg met Haddock verwant, maar Kuifje belichaamde met zijn charme en zijn loyaliteit zeker zijn ideaal,” aldus de inschatting van de stripdeskundige.

Naast de hoofdfiguren is er een wisselende groep van bijna 230 nevenpersonages, onder wie regelmatig terugkerende figuren zoals de onhandige  detectives Jansen en Janssen of de vernuftige professor Zonnebloem.

De verhalen spelen zich vaak af in verre landen en niet zelden in een toekomstige fantasiewereld. Hergé had een fijne neus voor technische ontwikkelingen – nog voor Neil Armstrong landde Kuifje op de maan. Ook de liefde voor detail waarmee de decors getekend zijn, voeren de lezers mee in de wereld van Kuifje.

Helderheid en fantasie

Maar het geheim ligt ook in de heldere lijn: “ligne claire” noemde de Nederlandse striptekenaar Joost Swarte de tekenstijl die Hergés handelsmerk werd. Dingen en personages worden door een duidelijke zwarte lijn van de vlakke achtergrond onderscheiden, arceringen en schaduwen worden achterwege gelaten. Toch wist Hergé, dankzij zijn buitengewone waarnemingstalent en heel wat studeren, zijn figuren zo te tekenen dat ze niet plat leken, met name door zich steeds op de meest expressieve gelaatsuitdrukkingen te concentreren. En omdat de figuren steeds terugkeren, leert de lezer ze zo goed kennen, dat hij als het ware zelf hun mimiek op het gezicht kan tekenen. Dat is ook het grootste verschil met het werk van Steven Spielberg: de bioscoopbezoeker hoeft door de ultramoderne animatietechnieken zelf nog nauwelijks zijn verbeelding te gebruiken.

In 1969 werd Hergé gevraagd hoe hij zich het stripverhaal anno 2000 zou voorstellen: dat moest “volwassen geworden” zijn en bezield met een creatieve geest, om zowel literair als grafisch hoog te scoren. Wat de moderne film en de traditionele strip betreft: als je ziet hoe enthousiast mensen vandaag over Hergé zijn, dan moet ook hijzelf met die geest vervuld geweest zijn.