Kapitalisme Edward de Maesschalck over Karl Marx

Galeries Royales Saint-Hubert, Brussels
Galeries Royales Saint-Hubert, Brussels | © public domain

De historicus en journalist praat over de retorische vaardigheden en talenkennis van Marx en over het leven in Brussel 160 jaar geleden.

Het is nu meer dan 160 jaar geleden dat Karl Marx in Brussel in ballingschap leefde – hoe moeten we ons de stad in die tijd voorstellen?

Het was een tijd van groeiende sociale tegenstellingen. De stad groeide razendsnel, ze overschreed in die periode de kaap van de 120.000 inwoners. Maar niet iedereen kwam er uit vrije wil – in het bijzonder de Vlaamse wevers, die door de achteruitgang van de productie in eigen streek hun inkomens verloren, werden door bittere nood naar de grootstad gedreven. Daarbovenop kwamen in 1845 en 1846 zware mislukte oogsten. De ellende en de honger van die jaren waren in België ongezien.

Anderzijds waren er de rijke burgers. Juist in die jaren ontstonden de Galeries Royales Saint-Hubert, een soort overdekte promenade van de Grote Markt naar de Sint-Goedele-kathedraal. Om dit luxeproject te kunnen verwezenlijken werden de oude bewoners van de buurt verdreven, en daarbij vielen er slachtoffers. Dit soort scherpe tegenstellingen tussen sociale klassen bestond natuurlijk in vele Europese landen. Maar het was toch de passende achtergrond om in Brussel enige basisteksten van het historisch materialisme te schrijven.

Brussel was toen al een meertalige stad – welke talen waren voor Marx en Engels belangrijk?

Behalve in de Duitse ballingengemeenschap bewogen beiden zich hoofdzakelijk in Franstalige kringen. Je moet voor ogen houden dat al het officiële en schriftelijke in de stad zich in het Frans afspeelde: straatnaambordjes, kranten, onderwijs. Vlaams was de moedertaal van ongeveer zestig procent van de inwoners, maar het was dus de taal van de arbeiders, de dagloners en de dienstboden. Dat waren niet de beroepsgroepen waarmee beide filosofen het meeste contact hadden.

Marx had evenwel een goede kennis van het Nederlands vanwege zijn familiale achtergrond. Zijn moeder Henriette, die van zichzelf Presburg heette, was de dochter van een rabbijn uit Nijmegen. Marx reisde vanuit Brussel soms naar Zaltbommel, waar zijn oom Lion Philips woonde, een welgestelde handelaar en de grootvader van de oprichter van de Philips gloeilampenfabriek. Die bezoeken hadden meestal met geld te maken omdat Marx tijdens die jaren van de hand in de tand leefde.

Vanaf 1847 concentreerde Marx zich minder op publicaties dan op de politieke agitatie, bijvoorbeeld in het Deutscher Arbeiterverein. Was hij eigenlijk een goede spreker?

Hij had het moeilijk om zijn ideeën kort en krachtig te formuleren. Maar hij had het geluk dat hij een goede coach had, met name Engels. Als die merkte dat het publiek niet kon volgen, speelde hij advocaat van de duivel, onderbrak Marx met tussenvragen, zoals ‘Wat bedoel je?’ of ‘Waarom?’ of leverde hij tegenargumenten zodat Marx zich moest rechtvaardigen en er weer leven kwam in de lezing. Het was pure show, daarvoor had Engels een veel beter gevoel dan Marx.

Maar toch zijn er ook toespraken uit de Brusselse tijd die ik heel geslaagd vind. Sommige ervan hebben we ooit nagespeeld als docudrama voor televisie (“Tussen droom en daad”, 1983), er waren echte kippenvelmomenten bij.

Het Manifest van de Communistische Partij werd in Brussel in het Duits geschreven, in 1848 eerst in Londen verspreid. Er was ook vanaf het begin een Nederlandstalige versie voorzien...

Helemaal in het begin van het Manifest, een paar alinea’s voorbij ‘Er waart een spook door Europa’ staat er dat de tekst zou worden gepubliceerd ‘in de Engelse, Franse, Duitse, Italiaanse, Vlaamse en Deense taal’. Dat is een interessante keuze – het waren in de ogen van de beide auteurs toen de economisch meest ontwikkelde landen. Daar was het de moeite waard te agiteren want daar zouden de voorwaarden voor een klasseloze maatschappij vroeger optreden dan in het oosten van Europa, zoals bijvoorbeeld in het bezette Polen en al helemaal dan in het tsaristische en agrarische Rusland.

Maar tussen Engeland en het continent waren er toch nog grote verschillen in economische ontwikkeling.

Ja, België en Duitsland waren rond 1850 nog minder geïndustrialiseerd dan Engeland. Maar dat is ook precies het fascinerende aan Marx en Engels: ze dachten in decennia en eeuwen, ze waren ervan overtuigd dat de economische ontwikkeling overal volgens dezelfde regels verliep. In Brussel speelde de ‘uitbuiting’ zich toen nog af in handwerkbedrijven met minder dan tien arbeiders, maar beide auteurs keken in de toekomst. Ze zagen hier al dezelfde fabrieken als in Manchester staan.

Overigens denk ik dat ook de joodse achtergrond van Marx hier een rol speelt, hoewel zijn vader Heinrich Marx zich al bekeerde tot het protestantisme. Dat denken in lange perioden, die gave van het profetische – het is allemaal toch wat makkelijker als men vertrouwd is met het joodse geloof.
 

Edward de Maesschalck werkte bijna dertig jaar voor de VRT, onder andere als historisch adviseur. In die functie hield de mediëvist zich een tijdje bezig met de Brusselse tijd van Karl Marx. Hij schreef twee boeken over dat thema. Het laatste heet ‘Marx in Brussel’ (Davidsfonds, Leuven, 2005). Met het Goethe-instituut Brussel praatte hij over de levensomstandigheden van de Belgen in het midden van de negentiende eeuw en over de retorische vaardigheden en talenkennis van Marx.