Patrick Eiden-Offe (Berlijn) Marx in Brussel: het communisme als ‘werkelijke beweging’

De volgende tekst en het bijhorende video produceerde Patrick Eiden-Offe voor de “Marx in Brussel-app” van het Goethe-Institut Brussel. Marx politieke activiteiten in Brussel zijn het onderwerp van deze bijdrage.
 


In Brussel groeit de theorie van Marx voor het eerst uit tot een praktijk. Daarvoor, in Parijs, had Marx al her en der bijeenkomsten van de arbeidersklasse bijgewoond en daarvan euforisch verslag uitgebracht bij Ludwig Feuerbach: “U zou zelf eens zo een bijeenkomst van Franse ouvriers moeten bijwonen, om te kunnen geloven wat voor een maagdelijke frisheid en verhevenheid die kapotgewerkte mensen nog tentoon kunnen spreiden.” 

Zelf was Marx nooit echt actief in de Parijse bijeenkomsten, noch zette hij ze zelf op touw; hij keek enkel passief toe naar die communistische beweging, waaraan hij eerst theoretische vorm en richting wilde geven.
In Brussel engageert Marx zich direct in de praktijk. Hij geeft lezingen in de Duitse arbeidersvereniging, zoals zijn lezing die in 1849 werd gepubliceerd onder de titel ‘Lohnarbeit und Kapital’ (‘Loonarbeid en kapitaal’), waarin hij voor het eerst de kern formuleert van zijn latere ‘Kritik der politischen Ökonomie’ (‘Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie’). Hij schrijft ook regelmatig voor de Deutsche-Brüsseler-Zeitung, die zich inzet voor de internationale journalistieke netwerkvorming van het almaar groeiende aantal proletarische verenigingen en tijdschriftprojecten. En hij sticht samen met zijn oude kameraden Friedrich Engels en Moses Heß het “Kommunistisches Korrespondenz-Komitee” (communistisch correspondentiebureau), om aan dit nieuwe netwerk een stabiele organisatiestructuur te geven. In het kader daarvan worden bureaus opgericht in Londen en Parijs, en in Duitsland en andere Europese landen worden communistische cellen ertoe aangezet verslagen in te zenden over de plaatselijke stand van zaken in verband met de beweging. Vanuit het organisatorische centrum worden instructies en ideologische richtlijnen uitgestuurd, die onder leiding van Marx uitgewerkt worden tijdens de wekelijkse bijeenkomsten van de groep in Brussel. Ze maken hiervoor gebruik van het nieuwe Europese postsysteem en van communistische handelsreizigers zoals Georg Weerth, die tijdens hun zakenreizen ook dienstdoen als clandestiene koeriers en boodschappers.
 
Hoe klein de internationale beweging in de jaren 1846/47 ook was, de Brusselse projecten van Marx zijn historisch zeer belangrijk gebleken – tegelijk succesvol en rampzalig. De samenwerking tussen de tijdschriften en het communistisch correspondentiebureau was in die zin succesvol, zo werd ooit door socioloog Wolfgang Eßbach gezegd, dat het een groot “concert van proletarische stemmen” wist te orkestreren: een echt proletarische, transnationale openbaarheid, die in staat was om alle “politieke begrenzingen van de burgerlijke openbaarheid en hun partijwezen te overstijgen ten gunste van een nog bredere communicatiegemeenschap”. Uit de activiteiten van het correspondentiebureau ontstond in 1847 echter ook de ‘Bond der Communisten’, die zich al snel ‘Communistische Partij’ liet noemen. Al mag men hier onder ‘partij’ zeker nog niet datgene verstaan wat zich hieruit later zou ontwikkelen. Lenins ‘Partij van het nieuwe type’ is hier nog verre toekomstmuziek. Toch kan men in de structuur van het correspondentiebureau in zekere zin al de eerste uitwassen bespeuren die kenmerkend zullen zijn voor latere communistische partijen – zeker vanuit een ex post-visie zoals die in de 20e eeuw historisch is aangeleerd. Marx, Engels en aanvankelijk ook Heß vormen een geheim Centraal Comité, dat een monopolie heeft op kennis en macht. We zien vroege vormen van partijzuivering, met als eerste slachtoffers de verdienstelijke veteranen van het ‘rauwe’ handwerkers- en arbeiderscommunisme, zoals Wilhelm Weitling. Uiteindelijk vreet de structuur zichzelf kapot, doordat de verdeeldheid ook ingang vindt in het machtscentrum zelf: Heß vertrekt gedegouteerd – “Ik wil niets meer met dit hele verhaal te maken hebben. Het is walgelijk, een ongelooflijk vieze troep” – voordat hij kan worden uitgesloten. Wat overblijft is letterlijk de ‘Partij Marx’, waarvan op een veroordelende manier – maar in wezen terecht – sprake zal zijn in de akte van beschuldiging in het post-revolutionaire ‘Keulse Communistenproces’ van 1852.
 
Zo vormde Brussel enkele jaren het geheime hoofdkwartier van een voor het eerst echt internationale communistische beweging; al bracht die beweging tegelijk haar ‘eigen doodgravers’ voort – zoals in het ook in Brussel ontstane ‘Manifest van de Communistische Partij’ wordt geschreven over de relatie tussen de burgerlijke samenleving en de proletariërs. Maar de doodgravers van de communistische beweging zorgden in Brussel tegelijk voor vers bloed. Ook dat blijft een van de taken die Marx ons opdraagt: hoe kan een jonge, nog onstabiele beweging (zoals de proletarische beweging van de jaren 1840) een theoretisch programma en een organisatiestructuur oprichten, zonder machtscentra uit te bouwen die de beweging meteen in de richting van zelfonderwerping en bureaucratische verstarring drijven?
 
Patrick Eiden-Offe, geboren 1971, is een Berlijnse literatuur- en cultuurwetenschapper. Zijn expertises zijn de verwevingen van literatuur, economie en politiek, Robert Walser, de verhoudingen tussen literatuur en etnologie en de romantiek. Sinds 2017 onderzoekt hij aan het Zentrum für Literatur und Kulturforschung (ZfL) in Berlijn de theorievorming van de jone Georg Lukács. Zijn laatste publicatie was in 2017 het boek Buch „Die Poesie der Klasse. Romantischer Antikapitalismus und die Erfindung des Proletariats“ uitgegeven door Matthes & Seitz.