Samenleven in de Stad “De vervreemding tussen groepen een halt toeroepen”

Of een buurt een probleemwijk is, hangt niet af van de bouwstijl.
Of een buurt een probleemwijk is, hangt niet af van de bouwstijl. | Foto (fragment): © Fotolia/pureshot

Problemen krijg je wanneer buren bang zijn voor elkaar, zegt stadssocioloog Jens S. Dangschat. Mensen met elkaar in gesprek brengen is daarom de beste manier om te verhinderen dat er “probleemwijken” ontstaan.

Stadssocioloog Jens S. Dangschat Stadssocioloog Jens S. Dangschat | Foto (fragment): © TU Wien Professor Dangschat, welke factoren geven aan dat een buurt als probleemwijk moet worden behandeld?

Het begrip “probleemwijk” is een term die altijd van buitenaf wordt opgeplakt. Om overheidssteun te krijgen moet aan een aantal criteria worden voldaan. Die criteria definiëren het “probleem”. Op zich zijn die criteria, bijvoorbeeld een hoog percentage senioren en kinderen, doorgaans helaas weinig overtuigend. Ook armoede-indicatoren spelen een rol, zoals werkloosheid, het aantal mensen dat sociale uitkeringen of werkloosheidssteun volgens Hartz-IV ontvangt, en – wat ik zelf zeer bedenkelijk vind – het percentage buitenlanders. Er bestaat geen empirisch bewijs voor de stelling dat een hoger percentage buitenlanders een significant probleem vormt.

Waarom gebruiken onderzoekers en overheden dan zulke indicatoren?

Ze gaan ervan uit dat problemen ontstaan wanneer te veel mensen van één bepaalde groep in een buurt leven: te veel armen, te veel buitenlanders, te veel ouderen. Studies hebben echter aangetoond dat bijvoorbeeld conflicten met het migrantenmilieu vaak het ergst zijn op plaatsen waar het percentage buitenlanders juist bijzonder laag is.

Als de vreemde een boeman wordt

Via welke indicatoren zou men het ontstaan van een probleemwijk kunnen vaststellen?

Veranderingen die als negatief worden ervaren zijn veel plausibeler indicatoren – als de economische situatie van mensen slechter wordt, als elke vreemde een boeman wordt, omdat de reflex luidt: “Sinds zij er zijn, is alles erger geworden.” De uitdagingen op het vlak van integratie door de grote toestroom van vluchtelingen hebben die factor meer gewicht gegeven.

Bij het inschatten van een probleemsituatie is er dus een groot verschil tussen subjectieve en objectieve waarnemingen?

Mensen handelen niet op basis van objectieve factoren, zoals het percentage buitenlanders, maar op basis van hun eigen beoordeling van datgene wat ze waarnemen. Een voorbeeld: heel wat groepen migranten houden zich meer dan gemiddeld op in de openbare ruimte. Dat heeft te maken met een krappe woonsituatie, maar ook met culturele socialisering. Alleen al het feit dat zij zo zichtbaar zijn in de openbare ruimte wordt door veel mensen als bedreigend ervaren. Hoewel subjectieve waarneming en objectieve gegevens met betrekking tot criminaliteit ver uit elkaar liggen, zijn de mensen bang. Dat is ook een duidelijk gevolg van de berichtgeving in de media.

Is het gevaar op een problematische ontwikkeling groter in nieuwbouwwijken?

Neen, het heeft alles te maken met de bewoning. Los van de afkomst, speelt ook de woonduur een rol. Socioloog Norbert Elias heeft aangetoond dat ook bij sociale groepen waarin in principe iedereen gelijkwaardig is, zij die er het langst wonen het recht opeisen om de plaatselijke regels te bepalen. Zodra er anderen komen, wordt er al snel met de vinger gewezen. 

“We weten niet eens welke mix zinvol is”

Is zorgen voor een sociale mix dan niet het logische antwoord?

Dat is altijd de reactie van de politiek: mixen, mixen, mixen. Maar empirische bewijzen zijn er niet. Die aanpak is louter gebaseerd op statistieken. We weten niet eens welke mix zinvol is bij welke maatstaf – in het trappenhuis, per woonblok, in de hele wijk ... We kunnen zelfs aantonen dat het mix-principe alleen zeer goed werkt bij de middenklassen, zolang er een goed functionerende infrastructuur aanwezig is.

Hoe kunnen overheden hierop zinvol reageren?

Wat ter plekke gebeurt, is doorslaggevend. Het federale steunprogramma “Soziale Stadt” (sociale stad) formuleert het juiste doel: we moeten bruggen bouwen, de vervreemding tussen groepen een halt toeroepen. Dat kan zowel via planologische ingrepen als via innovatieve vormingsprogramma’s.
 
Welke maatregelen zou u concreet aanbevelen?

Je moet mensen de kans bieden om samen te komen en te begrijpen wat ze gemeenschappelijk hebben. Dat kan bijvoorbeeld rond thema’s als fatsoenlijk leven in de wijk, het beperken van geluidsoverlast door auto’s, het creëren van plaats voor kinderen, enzovoort. Dan zijn culturele verschillen minder relevant. Participatie is dan ook belangrijk als het gaat om de inrichting van de openbare ruimte. Ten tweede spelen ook scholen een beslissende rol. Zij kunnen via een open pedagogiek voor positieve ervaringen op het vlak van socialisatie zorgen. Maar dat betekent ook dat men op school alle feesten van de grote wereldreligies samen moet vieren. Ten derde moet de federale overheid steden de kans geven om succesvolle initiatieven verder te zetten. Voor de sociale cohesie is het belangrijk dat steden meer mogelijkheden tot handelen krijgen, zodat armoede zich niet vertaalt in sociale isolatie of confrontatie.