Snelle toegang:
Direct naar inhoud gaan (Alt 1)Direct naar secundaire navigatie gaan (Alt 3)Direct naar hoofdnavigatie gaan (Alt 2)

Brussel–Molenbeek
Oud-Molenbeek: no-gozone?

Foto: © Kristof Vadino

De beroerde reputatie van de Brusselse wijk dateert al van vóór de recente aanslagen. Historicus en auteur Hans Vandecandelaere legt uit hoe het zover is gekomen, waarom armoede en radicalisering ook nu een rol spelen in het geheel, maar ook waarom we nieuwe vormen van dynamiek mogen verwachten.

Op 13 november 2015 doodt de Frans-Belgische terreurcel 130 mensen in Parijs. Heel snel raakt bekend dat minstens drie kopstukken van het zelfmoordcommando gelinkt zijn aan de wijk Oud-Molenbeek. De broers Brahim en Salah Abdeslam groeiden er op en de vader van Abdelhamid Abaoud had er een goed draaiende winkel. Wekenlang verandert het Gemeenteplein in een zee van televisiewagens. In een aanpalend eethuis schets ik op een papieren onderlegger de structuur van de gemeente Molenbeek voor een correspondent van The Washington Post die vanuit het Midden-Oosten overvloog naar de ‘hub van het moslimfundamentalisme. Buiten beschouwen veel van zijn collega’s inwoners als loslopend wild. Camera op statief en draaien: ‘U bent Molenbekenaar en moslim. Dus vertel eens, hoe radicaliseren jullie nu eigenlijk?’

Een kleiner garnizoen van mediaploegen verricht knap werk en wil na de storm weten wat voor een wijk dit nu echt is. Ze spreken over obscure ‘livingmoskeeën’, maar suggereren eveneens de schakeringen: feesten, optredens, mensen die veerkrachtig met de buurt in de weer zijn, de gradaties onder moslims en jongeren. Of ze portretteren een Oud-Molenbeek dat zijn echte Far West-sfeer uit de jaren 1980 van zich heeft afgeworpen. Niettemin zijn de mokerslagen uitgedeeld. De imagoschade is gigantisch.

De zwartste periode voor het kleine wijkje op nauwelijks twee kilometer van de Brusselse Grote Markt valt samen met de vier maanden waarin Salah Abdeslam promoveert tot de meest gezochte terrorist van Europa. Zijn arrestatie op 18 maart 2016 in de Oud-Molenbeekse Vierwindenstraat brengt opluchting, maar verwijst veel geïnterviewde bewoners tegelijk naar de beklaagdenbank. ‘Of het waar is dat iedereen wist dat Salah zich hier verborgen hield?’ Vier dagen later volgen de aanslagen in Brussel en de luchthaven van Zaventem. Nog even benut de verzamelde wereldmedia het Gemeenteplein als ankerpunt om het verhaal te brengen. Daarna is het voorbij. De druk op 18 500 inwoners neemt af. Speculatie ruimt plaats voor feiten en inzicht. Onderduikadressen, vertakkingen en arrestaties in Duitsland, Italië, Nederland, Zweden, Vlaanderen, Wallonië en andere Brusselse gemeenten maken eindelijk duidelijk dat het ging om een internationaal crimineel netwerk dat vanuit Syrië werd opgezet en waarin de wijk slechts een schakel was. Het narratief dat Oud-Molenbeek maandenlang degradeerde tot ‘kalifaat van het westen’ schiet geleidelijk aan tekort.

Als kranten uitpakken met ‘rellen in Molenbeek’, dan heeft alleen Oud-Molenbeek daar een patent op. Of anders de naburige Molenbeekse Havenwijk. Ze behoort tot de meest geframede en gemediatiseerde stadswijken van België. De buurt heeft een palmares van labels om van te duizelen en wordt al decennialang opgesloten in problematische clichés: ‘het Marrakesh of de Bronx van Brussel’, ‘een wijk die zijn eigen adem ademt’, een no-gozone, een getto, bedreigend, intolerant of achtergesteld, ‘een wijk waar jihadisten thuis zijn’, ‘de monocultuur van armoede heerst’ en kinderen die ontbijten met Aldichips bijna per definitie ongeletterd zijn.

De zwarte jaren 1980

Het sterk geïndustrialiseerde Oud-Molenbeek maakte in de jaren 1970 en ’80 enorme maatschappelijke omwentelingen mee. Belgische Molenbekenaars die het zich konden permitteren verruilden de dichtbevolkte centrumwijk voor Hoog-Molenbeek of de nog maagdelijk groene rand rond Brussel. Wat achterbleef was leegstand en een restpopulatie die wel wilde, maar financieel niet kon. Migranten profiteerden van de gekelderde huurprijzen en vestigden zich in de getroffen zone. In 1981 was bijna de helft van de Oud-Molenbeekse bevolking vreemdeling. Niet-stemgerechtigde Marokkaanse Berbers groeiden uit tot een meerderheidsgroep. Buurtdegradatie en beleidsmatige desinteresse waren typerend. Bovendien voltrok zich een van de drama’s van Brussel. De industrie trok weg en samen met haar duizenden laaggeschoolde arbeidsplaatsen. Van de ongeveer tweehonderd Molenbeekse bedrijven in 1974 ging het naar een 70-tal in 1988. Brussel compenseerde het verlies van de industrie met de versnelde uitbouw van een diensteneconomie waarin vooral 360 000 doorgaans hooggeschoolde pendelaars werken. Marokkanen werden door de crisis afgeblokt in hun sociale mobiliteit. Oud-Molenbeek en de Brusselse kanaalzone degradeerden tot een postindustrieel stadsgebied dat moest worden heruitgevonden.

De verschillende migrantenrellen in 1991 waren een mijlpaal omdat ze de smeulende bewustwording van de spanningen versnelden. Brussel was twee jaar voordien ook een volwaardig gewest geworden met eigen bevoegdheden. Van bovenaf ontstond er opnieuw aandacht voor wat vanaf nu ‘kansarme’ of ‘achtergestelde’ buurten werd genoemd. Oud-Molenbeek begon aan zijn upgrading. Het Nederlandstalig onderwijs kroop uit een diepe crisis. Het vaak gratis cultuuraanbod is onvergelijkbaar in vergelijking met de jaren 1990. De handel moderniseerde. Percelen werden opgefrist met nieuwbouw voor woongelegenheid of maatschappelijke dienstverlening. Een nieuwe middenklasse vond haar weg naar de wijk, aanvankelijk dankzij subsidies, later door de injectie van privékapitaal. Her en der werd hedendaagse architectuur ingeplant en de herinrichting van de publieke ruimte leidde tot prille aanzetten voor een zachte mobiliteit. Ook opmerkelijk zijn de nieuwe migraties van de voorbije vijftien jaar, vooral vanuit Zwart-Afrika en Oost-Europa. Oud-Molenbeek is hierdoor altijd wel een stuk van nul herbeginnen. Anderzijds breekt de instroom van etnisch gevarieerde groepen stilaan de overwegende Maghrebijnse présence open.

Verrassende dynamiek en schrijnende realiteiten

De neiging bestaat om de wijk voor te stellen als een no-gozone of een enclave waarin de bewoners zich opsluiten. Toch stroomt een deel van de jeugd door naar secundaire scholen en universiteiten elders in de stad en pendelen volwassenen dagelijks vanuit ‘het dorp’ naar hun werk. Wie een blindedarmontsteking krijgt, moet de buurt verlaten omdat er geen ziekenhuizen zijn. De mobiliteitsgraad hangt nauw samen met functie, leeftijd en sociaaleconomische achtergrond. Denk aan werkende versus nietwerkende Oud-Molenbekenaars of meer honkvaste ‘dorpse’ eerstegeneratie-inwoners versus meer mobiele derdegeneratie-inwoners. Om nog maar te zwijgen over de internationale connecties, de jaarlijkse vakanties, het verwerven van bezit in het buitenland, het regelen van huwelijken of het uitbouwen van handelsnetwerken. Oud-Molenbeek is helemaal niet dat afgezonderd eiland. Het draait mee in de rest van de stad en de wereld. Zijn buitengrenzen zijn poreuzer dan wat de beeldvorming doet geloven.

Bovendien zit er op die buitengrenzen een verandering aan te komen die op termijn nog meer stad in de wijk zal loodsen. Langs het kanaal van Charleroi krijg je met verlofting een nieuwe invulling van de kaaien. De stad legt geen functionele link meer met het water, wel een emotionele. Het kanaal wordt steeds meer een nieuwe place to be die steunt op de charme van wonen met zicht op water. Het centrum van Brussel schuift op naar het westen. De verwachting dat Oud-Molenbeek daar een deel van wordt, impliceert dat de wijk diverse groepen mensen zal aantrekken: toeristen, zakenreizigers, studenten of nog meer middenklassepubliek dat niet meer bang is. Er zullen waarschijnlijk verschuivingen plaatsvinden. De kleinhandel zal zich verder diversifiëren van eerste en tweedelijnshandel naar derde en vierde, dus cafés, kranten- en pralinewinkels. Maar wellicht krijg je op termijn met kantoren en manufacturen ook meer diversifiëring van werkvormen. De vermenging van kansarmen en kansrijken zal toenemen, net als de verdere ontplooiing van cultuur en ontspanning op Molenbeeks grondgebied.

Onder die dynamische laag schuilt een context die vooralsnog schrijnend blijft. Oud-Molenbeek is een stadsgebied waar op de zelfmoordcijfers na haast alle meetbare indicatoren dieprood kleuren. Het is de klassiek mantra van verschroeiend hoge werkloosheid, slechte luchtkwaliteit, overbevolking, armoede, gebrek aan open ruimte en nijpend kleine huisvesting. De buitengewone demografische groei en het afschuwelijke tekort aan betaalbare kwalitatieve appartementen noodzaakt tot wonen in kelders, zolders of opgesplitste kamers. En als die vol zitten, dan maar in achterbouwconstructies of garageboxen.

Precaire leefsituaties lees je af in het straatbeeld. Soms schuiven mensen aan in een badhuis om voor vijftig eurocent een half uur te douchen. Winkels met tweedehandskleren, opgelapte gasfornuizen of torenhoog gestapelde afgeprijsde Nutellapotten zijn nog ruim aanwezig. Tijdens de donderdagsmarkt kun je afdingen tot een krat aardbeien nog slechts een habbekrats kost of zie je verkopers met een caddie stiekem platte, zelfgemaakte broden onder de marktprijs aanbieden.

Maar Oud-Molenbeek kent niet alleen schaarste. Het brengt ook rijkdom voort: van de meest gore vormen van informele economie en de megawinsten van huisjesmelkers tot indrukwekkende gemondialiseerde businessknowhow. Het ondernemerschap zit in de lift. Het vet van de pittazaken druipt steeds minder van de muren. Bakkers en vishandelaars maakten de afgelopen tien jaar een kwaliteitssprong en beginnen hun waar met bereide gerechten te diversifiëren. De Gentsesteenweg is het vlaggenschip van die handel. De gemiddelde maandelijkse huurprijzen van 2000 à 3000 euro doen er brolverkopers naar adem happen. De middenstand kruipt uit een dal en vindt opnieuw aansluiting bij de Belgische naoorlogse glorie. Alleen zijn de entrepreneurs anders, wat bruiner en vooral meer dan ooit tevoren verbonden met de rest van de wereld. In 2011 bood een totaal van 384 handelszaken in Oud-Molenbeek rijkdomproductie aan voor de ene en een alternatief voor werkloosheid voor de ander.

De muzikaliteit van Molenbeek

De wijk moet je lezen vanuit een veelheid aan sociale groepen. Verfijn vervolgens elke groep in subgroepen. Oud-Molenbeek is dan vooral een immens symfonieorkest met uiteenlopende sociale expressies. Er zijn handelaars en handelaars: zowel brolverkopers als gemondialiseerde entrepreneurs. De Marokkaanse meerderheidsgroep verbrokkelt in een eerste, tweede en derde generatie. Of je hebt de Marokkaanse oud-en nieuwkomers, waarbij de oude migranten de nieuwe soms beschouwen als concurrenten op de schaarse arbeidsmarkt. De nieuwkomers zijn op hun beurt versplinterd door Marokkanen uit Marokko, Nederland, Italië en sinds 2008 vooral uit Spanje, met of zonder papieren. Er zijn de nauwelijks gekende netwerken van de andere etnische groepen, de cluster van sociale stijgers die de wijk voor bekeken houden en de nieuwe middenklassers die er toekomst komen zoeken. Huurders of huiseigenaars, opklimmende, aanklampende of afhakende jeugd, rigide en vooral softe moslims, wijkverknochte bewoners en wijkpendelaars, hoog- en vooral laaggeschoolden. Ze bepalen allemaal de muzikaliteit. Molenbeek moet je begrijpen vanuit een veelheid aan kleine en grotere netwerken. Er zijn strenge islamitische netwerkjes die zich kanten tegen initiatieven om het buurtleven met dans en muziek op te vrolijken. Er zijn de netwerken die teruggaan op de etnische herkomst. Of er zijn de creatievelingen die zich engageren in theater, muziek en film. Het leeft allemaal door elkaar. Een probleem is dat al deze sociale expressies onderzoeksmatig onderbelicht blijven. Dit versterkt de neiging om Oud-Molenbeek als een Maghrebijns getto te zien.

Het hybride blijft ook onopgemerkt. In het eethuis Tha Moury op het Gemeenteplein wokken zaakvoerder Mohammed en twee Vietnamese koks zich in het zweet om Thaïs te bereiden. Toenemende vermenging is een fundamenteel gegeven voor de komende jaren. Vooralsnog zet een gelaagd Marokkaans landschap met sterke culturele en religieuze kenmerken de toon. De ruimte voor het andere moet nog groeien. Een gewoon tof Belgisch bierterras zou het straatbeeld al een andere toets geven. Oud-Molenbeek is heel divers, maar het komt nog niet voldoende tot uiting omdat het aanbod er niet is. Tijdens de ramadan is alles gesloten en moet je de wijk verlaten om af te spreken.

Het mozaïek van islam en jongeren

Buurthuis Avicennes zorgt ervoor dat Aziz, 16 jaar, kan rappen en niet op straat doolt. Buurthuis Avicennes zorgt ervoor dat Aziz, 16 jaar, kan rappen en niet op straat doolt. | Foto: © Kristof Vadino De islam kwam heel versterkt uit 25 jaar evolutie. Dat heeft nadelen. Seksuele voorlichting onderwijzen in een klas vol moslims kan zorgen voor frictie. Anderzijds heeft deze gelovige samenleving een dynamische, gelaagde onderbouw. Ik ontmoette heel progressieve moslims. Je merkt dat vooral als je in tête-à-tête het gesprek aangaat. Niet zozeer met de gehoofddoekte Rachida of de Marokkaanse Rachid, wel met Rachida of Rachid tout court.

In 2013 telt de gemeente Molenbeek 36 450 moslims op 94 650 inwoners, dus bijna 40 procent van de bevolking. De berekening werd niet doorgetrokken op wijkniveau, maar een groot aantal moslims woont hoe dan ook in Oud-Molenbeek. Daarmee betreed je een kleine dorpachtige stadszone waar vroomheid een relatief sterk gegeven is en religieus-culturele gedragsregels tot zekere hoogte de handelswijze in de publieke ruimte bepalen. Hand in hand op straat lopen met een nieuw lief is not done uit loyaliteit voor de ouders. Vrouwen roken en gaan op café, maar liever niet in het ‘dorp’.

De buurtgebonden etnisch-religieuze communautarisering is deels een gevolg van uitsluiting en het wegvallen van de werkintegratie. De jaren 1980 waren een kantelmoment. Voordien had de gemeenschap meer perspectief. Het maatschappelijk kader waarin ze zich kon ontplooien, was ruimer. Het wegvallen van de werkstructuren door de crisis leidde tot het terugplooien op eigen etnisch-religieuze elementen.

De islam staat in Oud-Molenbeek niet los van de bevolkingssamenstelling en de sociaalculturele realiteiten. Hij moet zin geven aan wat de mensen in het leven ervaren. Islamstrekkingen die pleiten voor sport, wetenschap en onderwijs worden vooral door hooggeschoolden opgepikt. Voor hen is dit herkenbaar. In Oud-Molenbeek heeft zo’n discours weinig zin en krijg je onder laaggeschoolden overwegend een ongecompliceerde basic halal-en-haram-islam: ‘Hou van je buren. Zorg voor je kinderen. Islam is goed en als je veel bidt, dan spaar je punten voor het hiernamaals.’

Het basisthema is traditioneel en ethisch behoudsgezind. Daarin klinken dan verschillende melodieën. Sociale gedragscontrole in de publieke ruimte is een absoluut, maar ook een dynamisch gegeven. Twintig jaar geleden zag je nauwelijks vrouwen op straat. Vandaag kan je spreken van een rol omdraaiïng en hebben vrouwen het straatbeeld veroverd. Ook de context is belangrijk. Spreek je met moslims onder vier ogen of in groep? Woon je als Marokkaanse moslim in of buiten de wijk? Ben je een Braziliaan die een spektakel brengt in de publieke ruimte of doe je dit vanuit een etnisch- religieus toebehoren tot de groep? Vrouw of man, kind of adolescent, telkens zullen de marges voor wat kan en niet kan fluctueren van heel ruim tot voorlopig onmogelijk. Vroomheid met gaten en ademruimte, waarbij taboesfeer en sociale controle hoofdzakelijk een lokale, communautaire kwestie zijn.

Zo ook moet je verschillende gradaties onderscheiden onder jongeren. Oud-Molenbeek telt een hoog aantal grote gezinnen. Een op de drie inwoners is jonger dan 19 jaar. Deze kinderrijke omgeving wordt doorgaans beschreven in termen van schoolafhaken en jeugdwerkloosheid. Onder de 24 jaar heeft 54 procent van de jeugd geen werk. Een hoog subpercentage hiervan leeft in een gezin zonder inkomen uit arbeid, zodat werken een abstract begrip wordt. Maar zware cijfers verhullen een schaduwleger van jongeren die sleutelen aan carrières. Velen onder hen ageren vanuit een brede identiteit en zijn het beu om ondervraagd te worden over deelaspecten zoals de wijk, etniciteit, religie of integratie. Gemiddeld moeten ze meer verantwoording afleggen dan hun leeftijdsgenoten uit Brugge of Brussel-Centrum. En dit terwijl een subgroep eigenlijk niet eens bezig is met de buurt. Die jongeren wonen er gewoon. De rest is projectie van de buitenwereld.

Je vindt in de wijk zowel jongeren die echt slagen in het leven, als jongelui die niet gestructureerd zijn en doorgaans een zware, soms criminele bagage meesleuren. Het gaat om een restgroep die geen aansluiting meer vindt. Sommigen hebben het opgegeven en ontwikkelen een wereldvisie waarin alles draait rond vernedering, discriminatie en een wij-tegen-henwantrouwen. Verder heb je een groep van adolescenten die wel moeilijkheden hebben, maar nog steeds houvasten vinden in sportclubs, het jeugdhuis of met een hobby en een lief. Al deze groepen vermengen zich niet zomaar. Zij die het goed doen in het hoger onderwijs hangen niet rond met de ketten van de straat. Binnen de Marokkaanse gemeenschap merk je overigens neerbuigendheid ten aanzien van de eigen straatjongeren. En ook omgekeerd hebben de straatgasten weinig vertrouwen in de woordvoerders van hun gemeenschap.

En wat dan met jihadisme?

We moeten met zijn allen breed kijken naar Oud-Molenbeek. Daarbij is nuanceren niet gelijk aan bagatelliseren. Uitdagingen moeten worden benoemd, maar wel scherp en in een juist perspectief. Discrimination code postale is een geijkte uitdrukking in de wijk. Dit moeten we vermijden. Er wonen mensen die bij het zoeken naar werk op hun CV hun domicilie vervalsen of zelfs hun Marokkaanse naam veranderen in een Belgische. Na de terreur van Parijs en Brussel komt het er meer dan ooit op aan om duizenden inwoners uit de wind te zetten door vaak gratuite quotes achterwege te laten. Al was het maar omdat je in de strijd tegen radicalisering en Syriëgang ook de conservatieve middens nodig hebt.

Breed kijken impliceert dat we gewelddadig jihadisme beschouwen als een randfenomeen binnen de complexiteit van een wijk. Volgens terreurexpert en Brusselaar professor Rik Coolsaet (UGent) wonen in Molenbeek verschillende categorieën van sympathisanten. Globaal gezien worden ze gedreven door een gebrek aan toekomstperspectief. Een deel van hen is relatief welgesteld en heeft geen strafblad. Zij zullen vaak zeggen dat ze zich niet aanvaard voelen. Voor anderen is gewelddadig extremisme dan weer een nieuwe vorm van deviant gedrag, net zoals drugstrafiek en overvallen dit voordien waren. Deze tweede groep bestaat uit lokale vriendennetwerken. De leden vormen een gesloten kring waarin omerta en solidariteit een rol spelen. Ze houden zich in de marge van de wijk en de familie bezig met criminele activiteiten. Indien nodig verschaffen ze aan elkaar schuiladressen. De hardcorekern heeft een grote capaciteit om te haten en is meestal gekend door de politie. Daar rond draait dan een bredere groep van jongeren die niet noodzakelijk inzage heeft in gewelddadige plannen, maar evenzeer een vorm van straatsolidariteit onderhoudt.

Voor Rik Coolsaet heeft het in vergelijking met eerdere golven van jihadi nog maar weinig te maken met religieuze of ideologische overtuiging. De huidige Syriëgangers zijn jong en hebben weinig politieke en religieuze bagage. Ze halen hun mosterd niet in de moskee, wel op straat, in een gesloten vriendenkring, op sociale media of in de ‘livingmoskee’ van een ronselaar. Hun knip- en plakversie van de islam zal hooguit voor een ideologische bedding zorgen waarmee ze als terrorist hun daden kunnen rechtvaardigen.

Over de hardcorekern bestaan cijfers. Het gaat om enkele tientallen. Hoe groot of hoe klein de groep jongeren is die er rond draait, weet niemand. Behalve dan dat het gemiddeld maandelijks aantal Syriëgangers sinds 2015 gevoelig afneemt. De uitdaging is om informatie van onderuit naar boven te krijgen via samenwerking met imams, ouders, leraars of straathoekwerkers. Vandaar het gigantische belang van een vertrouwenssfeer en een preventieve aanpak. Die sfeer bereik je nooit door inwoners steeds maar weer op de beklaagdenbank te plaatsen.

Overigens leeft er in Oud-Molenbeek een opmerkelijk verschil in reactie op de aanslagen tegen de krantenredactie van Charlie Hebdo en die van Parijs en Brussel later. Begin 2015 keurden moslims doorgaans het geweld af, maar ze voelden zich tegelijk beledigd omdat de profeet met karikaturen was beklad. Met de nieuwe aanslagen valt de discussie over vrije meningsuiting weg en wordt de pure, willekeurige terreur globaal gezien ondubbelzinnig veroordeeld. Ook de bewustwording van de problematiek van radicalisering neemt toe. Dit zijn hoopgevende punten. Nu nog de afbouw van de sociaaleconomische werven en een nabijheidspolitie die als bondgenoot in de haarvaten van de wijk kruipt.
 
  • Een politie interventie na de aanslagen van Parijs. De relatie tussen de wijk en de politie is complex. Foto: © Kristof Vadino
    Een politie interventie na de aanslagen van Parijs. De relatie tussen de wijk en de politie is complex.
  • Solidariteit met de slachtoffers van Parijs op het Gemeenteplein. Foto: © Kristof Vadino
    Solidariteit met de slachtoffers van Parijs op het Gemeenteplein.
  • Op het Gemeenteplein kruisen gesluierde en niet-gesluierde vrouwen elkaar. Foto: © Kristof Vadino
    Op het Gemeenteplein kruisen gesluierde en niet-gesluierde vrouwen elkaar.
  • Eethuis Tha Moury: Vietnamese kok, Marokkaans-Belgisch baas, Thaïse keuken. Foto: © Kristof Vadino
    Eethuis Tha Moury: Vietnamese kok, Marokkaans-Belgisch baas, Thaïse keuken.
  • De Finstraat kent zoals heel Oud-molenbeek veel verloederde woningen. Foto: © Kristof Vadino
    De Finstraat kent zoals heel Oud-molenbeek veel verloederde woningen.
  • De Italiaanse Anna en de Zwitserse Christophe in hun loft, een voormalige drukkerij. Foto: © Kristof Vadino
    De Italiaanse Anna en de Zwitserse Christophe in hun loft, een voormalige drukkerij.
  • Het kanaal van Charleroi wordt langzaam aan een nieuwe place to be. Foto: © Kristof Vadino
    Het kanaal van Charleroi wordt langzaam aan een nieuwe place to be.

 

Top