Snelle toegang:
Direct naar inhoud gaan (Alt 1)Direct naar secundaire navigatie gaan (Alt 3)Direct naar hoofdnavigatie gaan (Alt 2)

Interview met Manja Präkels
Als ich mit Hitler Schnapskirschen aß

Manja Präkels: Als ich mit Hitler Schnapskirschen aß
© Goethe-Institut Niederlande

Opgroeien in de DDR, de Wende, radicalisering en geweld – Manja Präkels vertelt in haar debuutroman “Als ich mit Hitler Schnapskirschen aß” een fictief verhaal dat is geïnspireerd op haar eigen belevenissen. In dit interview spreekt ze over die ervaringen en over wat jongeren vandaag de dag kunnen leren van verhalen over een tijd die ze zelf niet hebben meegemaakt.

In uw boek “Als ich mit Hitler Schnapskirschen aß” schrijft u over de radicalisering in Oost-Duitsland na de val van de Muur. Waarom heeft u, zo lijkt het, uw geboorteplaats Zehdenick als plaats van handeling gekozen en kunt u daar nu nog uw gezicht laten zien?

Ik heb in de roman een fictieve plaats, de Havelstadt, gecreëerd, waarvoor mijn geboorteplaats Zehdenick zeker een soort blauwdruk was. Maar identiek zijn die twee plaatsen niet. Ondanks alle autobiografische inkleuring van mijn boek, blijft het fictie. Ik vind dat ook belangrijk, omdat er veel plaatsen zoals deze zijn en waren en de golf van racistisch geweld en mensenhaat van de jaren negentig uiteindelijk alle uithoeken van het land bereikte. Ook de sociale beroering die gepaard ging met de Wende, hebben op de meeste plekken een vergelijkbaar stempel gedrukt. In Zehdenick is de opwinding rond het boek absoluut groter geweest dan elders. Daar denken veel mensen zich te herkennen in de personages. Sommige mensen weigeren zelfs helemaal om het boek te lezen. Met name het feit dat ik het heb opgedragen aan een slachtoffer van extreemrechts geweld, iemand die – terwijl hij op de grond lag – door jongeren uit deze stad met schoppen om het leven is gebracht, roept weerstand en vijandigheid op. Maar er is ook respect en dringend noodzakelijke herinnering.

Toen de Muur viel, was u 15 en woonde u op het platteland van Brandenburg. Welke herinneringen heeft u aan de tijd van de Wende?

Veel. Het was een wilde, intense tijd. Het leven raasde voorbij, het ene systeem loste het andere af als met de snelheid van het licht. Er gebeurde meer dan we eigenlijk konden verwerken of begrijpen. Dat varieerde van euforische momenten en gevoelens over de plotseling geopende poorten naar de wereld, de reizen naar zee en de eerste contacten met culturen en talen die kort daarvoor nog onbereikbaar waren, tot zeer angstige momenten. Vooral als het ging om de sociale ellende, de sluiting van bedrijven en massaontslagen.

Wat is het verband tussen de Wende en de opleving van het neonazisme in het oosten van Duitsland?

Er bestonden in Oost- maar ook in West-Duitsland al voor 1989 extreemrechtse netwerken, die elkaar ondanks de Muur kenden en steunden. Dat was in de DDR een groot taboe, omdat de Oost-Duitsers zich beriepen op een sterke, antifascistische traditie. Dat deden ze op grond van de DDR-mythe van het “betere Duitsland” dat ook was opgebouwd door tegenstanders van de nazi’s. Na de val van de Muur en de ineenstorting van het systeem werden oude en nieuwe nazi’s in Oost en West letterlijk herenigd. In de chaos van de Wende – politie en justitie functioneerden niet meer of nog niet – slaagden ze erin de openbare ruimte duurzaam onder controle te brengen en gedesoriënteerde DDR-kinderen en -jongeren, die na de sluiting van veel instellingen, clubs en jeugdcentra feitelijk op straat stonden, sterk te beïnvloeden en voor zich te winnen.

In uw boek beschrijft u hoe vrienden neonazi’s worden. Wat is uw band met dit onderwerp?

In mijn leeftijdsgroep zijn er tal van extreemrechtse identificatiefiguren, zoals de moordenaars Beate Zschäpe, Uwe Mundlos en Uwe Bönhard van de neonazistische terreurgroep NSU. Een groot aantal van hen is nog steeds met succes actief – in nazinetwerken of in de rechts-populistische Alternative für Deutschland (AfD). Ik heb de radicalisering van vrienden en buurmeisjes in die tijd van dichtbij meegemaakt. Terwijl mijn klasgenoten enthousiast naar de pogroms van Hoyerswerda en Rostock afreisden, zat ik met een paar vrienden in de asielzoekerscentra in de omgeving om mijn solidariteit te betuigen met de mensen die daar woonden. Alsof we wilden bewijzen dat nog niet iedereen gek was geworden. We waren geen kinderen meer en ook nog geen volwassenen toen de wereld, het complete systeem van normen en waarden om ons heen instortte. Het voelde als oorlog en veranderde ons in strijders. Sommigen zijn dat tot op de dag van vandaag gebleven.

Het is belangrijk om als schrijver of journalist over de rechts-radicale scene te vertellen, maar ook gevaarlijk. Hoe gaat u met dat gevaar om?

Angst is geen goede raadgever, maar lichtzinnigheid is ook niet op haar plaats. Anders dan veel collega’s in de journalistiek, word ik op dit moment niet acuut bedreigd. Het is belangrijk dat we solidair zijn. Persvrijheid is een groot goed. Veel mensen in de voormalige DDR hebben in 1989 onder andere daarvoor gestreden en veel op het spel gezet. Dat de persvrijheid tegenwoordig door rechtse politici uitgerekend onder verwijzing naar de tijd van de Wende wordt aangevallen, is echt absurd.

In Nederland gaat u uw boek voorlezen aan leerlingen die de tijd van de Wende hoogstens uit verhalen kennen. Wat kunnen deze leerlingen van die ervaring opsteken?

Aan de ene kant probeer ik duidelijk te maken dat alles – ook een radicale verandering van de wereld – altijd mogelijk is. Niets blijft eeuwig zoals het is. Aan de andere kant wil ik laten zien hoe belangrijk het is om rekening met elkaar te houden, zelf te denken en niemand te volgen die makkelijke oplossingen belooft. En dat gezamenlijk, solidair optrekken altijd gelukkiger maakt dan elkaars tegenstander zijn en zondebokken zoeken voor alles wat je niet zint. Ieder van ons is daarbij van belang. Niemand is te min om zijn stem te verheffen.

 

Top