Snelle toegang:

Direct naar inhoud gaan (Alt 1) Direct naar hoofdnavigatie gaan (Alt 2)

Tussen de werelden
De Bourgeois en kunstenaar Thomas Mann

Film still uit  ‚Tod in Venedig‘ van Luchino Visconti (Björn Andresen en Dirk Bogarde)
Foto (Detail): © picture alliance / Mary Evans Picture Library

Thomas Mann zat er zijn hele leven mee — de tegenstelling tussen zijn burgerlijke afkomst en zijn roeping tot kunst. Een blik op het conflict dat als geen ander zijn werk doordringt.

Door Gina Arzdorf

‚Het is gedaan met de kunstenaar zodra hij mens wordt.‘ Het inzicht waartoe Thomas Mann zijn fictieve personage Tonio Kröger in de gelijknamige novelle laat komen, klinkt paradoxaal. En toch weerklinkt het telkens opnieuw in het vroege werk van de Nobelprijswinnaar voor literatuur. De veronderstelling: kunst kan alleen voortgebracht worden door iemand die geïsoleerd leeft van de ‚gewone, ordentelijke‘ mensen aan de rand van de samenleving, en die bijgevolg met een mengeling van minachting en hoogmoed neerkijkt op allen die geen extase, geen zelfvervreemding en geen levensmoeheid kennen. Zij wier leven in zijn rechtlijnige banaliteit de deuren tot hogere sferen gesloten houdt. Des te schokkender moet het voor de eenzame, tot uitputting gedreven dichter Tonio Kröger geweest zijn, toen zijn vriendin Lisaweta Iwanowna op een dag concludeerde: ‚U bent een burger op dwaalwegen, Tonio Kröger — een verdwaalde burger‘, maar toch een burger, en die belichaamt uiteindelijk een geesteloos, stompzinnig leven dat tot kunst niet in staat is.

De innerlijke strijd

De parallellen tussen het fictieve personage en zijn schepper zijn nauwelijks te missen. Thomas Mann wordt in 1875 geboren in een welgestelde en gerespecteerde koopmansfamilie in Lübeck. Net als zijn personage Tonio Kröger laat ook hij op jonge leeftijd zijn Hanzestad achter zich om in Italië de koers van een nieuw leven uit te zetten — dat van een literator. Maar hoewel de fysieke afstand tot zijn afkomst lukt, zal hij zich geestelijk nooit volledig van zijn burgerlijke wortels kunnen losmaken, net zo min als zijn literaire alter ego Tonio Kröger. Onvermijdelijk wordt Thomas Mann dus geconfronteerd met de existentiële tegenstelling tussen burgerlijkheid en kunstenaarschap, die hij al in zich draagt doordat zijn Noord-Duitse vader het ene levensmodel belichaamde, en zijn uit Brazilië afkomstige moeder het andere. Wanneer hij Tonio Kröger laat zeggen: ‚ik sta tussen twee werelden, hoor nergens echt thuis en heb het daardoor een beetje moeilijk‘, dan komt die uitspraak vermoedelijk voort uit zijn eigen gevoel van onduidelijke verbondenheid en het metaforische zitten tussen twee stoelen — een motief dat vooral in zijn vroege verhalen tot uiting komt.

Kunstenaar versus burger

In het spanningsveld tussen kunstenaarschap en burgerlijkheid worstelen de door Thomas Mann gecreëerde personages op uiteenlopende manieren met deze dualiteit. Naast Tonio Kröger behoort ook Gustav von Aschenbach tot degenen die beide werelden in zich dragen. Het hoofdpersonage uit het in 1911 geschreven verhaal De dood in Venetië is een gerespecteerde schrijver, verheven vanwege zijn grote literaire verdiensten. Een schrijver dus die niet in conflict met de samenleving aan haar rand leeft. Integendeel, Gustav von Aschenbachs leven is dat van een burger, geleid door Pruisische deugden en een discipline die zijn dagen laat beginnen met ‚stortbaden van koud water over borst en rug‘, en waarvan het motto ‚volhouden‘ luidt. Maar ondanks alle matiging blijft hij een kunstenaar, een estheet. En wanneer de ouder wordende von Aschenbach tijdens een verblijf in Venetië de veertienjarige Tadzio ontmoet — de incarnatie van absolute schoonheid — begint een roesachtige zelfovergave die uiteindelijk leidt tot de titelgevende dood in Venetië.

In de novelle Tristan, gepubliceerd in 1903, verschijnt het conflict tussen burgerlijkheid en kunstenaarschap niet in de vorm van één enkel personage. In plaats daarvan ontmoeten, tegen de achtergrond van een sanatorium hoog in de bergen, twee ongelijksoortige mannen elkaar als vertegenwoordigers van twee tegengestelde levensopvattingen: de mislukte schrijver Detlev Spinell en de koopman Klöterjahn. Spinell, vanwege zijn weinig vitale uiterlijk in het sanatorium aangeduid als een ‚verweekt zuigeling‘, heeft geen lichamelijke klachten en verblijft slechts in de inrichting omdat hij van mening is dat ziekte en de nabijheid van de dood de mens verheffen. Klöterjahn daarentegen, goed doorvoed en welgesteld, belichaamt met zijn veelzeggende naam het leven en het voortbestaan ervan. In het symbolische midden tussen deze twee mannen staat Gabriele Klöterjahn, de echtgenote van de koopman, die na de geboorte van haar zoon verzwakt is, uitgemergeld en lijdt aan een aandoening van de luchtpijp. Het contact met Spinell, de morbide kunstenaar die haar aanzet tot opzwepend pianospel, kost haar uiteindelijk het leven.

Autobiografische personages

En dan is er nog Hanno Buddenbrook, de jongste telg van de familie die Thomas Mann portretteert in zijn grote sociale roman Buddenbrooks. In dit monumentale werk draait het — zoals de ondertitel al verraadt — om het verval van een ooit welvarende en gerespecteerde Lübeckse koopmansfamilie, waarin met elke nieuwe generatie de toewending tot de kunst toeneemt en het burgerlijke afneemt. De enige mannelijke erfgenaam, Hanno Buddenbrook, is al als kind ziekelijk, eenzaam en in zichzelf gekeerd. Volledig ongeschikt om het vaderlijke bedrijf over te nemen, geldt zijn passie uitsluitend het pianospel en de doodsverlangende muziek van Richard Wagner. Wanneer Hanno Buddenbrook, die de volwassenheid nooit zal bereiken, in de familiechroniek een ‚mooie, nette dubbele streep‘ onder zijn naam zet — in de veronderstelling dat er na hem niemand meer zal komen — is dat uiterst veelzeggend. Geen enkel personage maakt zo duidelijk als hij in welke mate Thomas Mann de stof van zijn proza uit zijn eigen leven put, uit de onoplosbare tegenstelling tussen twee werelden die in hem huizen, want Hanno Buddenbrook — dat is zijn jongere zelf.

Top