Digitale identiteit Revolutie voor ons eigen ik?

Avatars
Avatars | Photo (detail): © rtguest, fotolia.com

Het internet biedt ons de ruimte om onze digitale identiteit vorm te geven. Dat brengt zowel kansen als risico’s met zich mee. Met name in Duitsland waarschuwen critici dat onze privacy gevaar loopt.

In het voorjaar van 2014 organiseerde de Bundeszentrale für politische Bildung, een federaal instituut dat zich bezighoudt met de politieke vorming van burgers, een conferentie over het onderwerp ‘Digitale identiteit’. In Berlijn debatteerden vertegenwoordigers van de Duitse en internationale webcultuur over vragen als: welke gegevens zijn er over een persoon op het internet te vinden en wat is de betekenis ervan? In hoeverre zijn deze gegevens een afspiegeling van een ‘echt ik’? En wat betekent de mogelijkheid om zichzelf virtueel vorm te geven voor de persoon zelf?

Hoewel op de conferentie talrijke standpunten de revue passeerden, haalde vooral de lezing van mediawetenschapper Miriam Meckel, professor in de bedrijfscommunicatie aan de Universiteit van St. Gallen, de pers. Volgens Meckel geeft het internet een vertekend beeld van onze identiteit omdat die vaak als gebruiksartikel wordt opgevat. Er worden regelrechte ‘ego-updates’ gegeven om mee te tellen in de strijd om de beste ideeën, aldus de professor in haar lezing. Op het internet is geen plaats meer voor wisselende identiteiten, voor menselijke zwakheden, voor individualiteit en eigenzinnigheid.

Identiteit als process

Identiteit in de klassieke betekenis van het woord bestaat uit een aantal uiterlijke kenmerken, zoals naam, geboortedatum, woonplaats, handtekening en onveranderlijke biometrische eigenschappen zoals de kleur van de ogen en vingerafdrukken. Maar op het internet is identiteit een dynamischer en procesmatiger begrip. Zij bestaat in de eerste plaats uit de digitale sporen die we achterlaten: communicatiesporen, locatiegegevens en consumptiegedrag, maar komt ook tot uiting in de manier waarop we onszelf presenteren. ‘In het predigitale tijdperk was identiteit vooral iets wat tot de privésfeer behoorde. In het openbare leven speel ik een rol, in mijn privéleven toon ik mijn ‘ware ik’. En juist dit ik wordt nu aan de openbaarheid prijsgegeven,’ stelt Sarah Mönkeberg, socioloog aan de Universiteit Kassel.

‘We hebben nieuwe mogelijkheden om onze identiteit vorm te geven,’ aldus Mönkeberg. ‘Feedbackprocessen, zoals we die op sociale netwerken zien, bijvoorbeeld het liken van selfies op Instagram, kunnen helpen bij het construeren en handhaven van een eigen identiteit. Op die manier is het mogelijk om verschillende identiteiten uit te proberen en bij te stellen.’

Mogelijkheden van zelfenscenering

De Australische wetenschapster Karen Ann Donnachie stelt in haar essay Selfies, #me: Glimpses of Authenticity dat de neiging van tieners om voor een denkbeeldig publiek te poseren deel uitmaakt van het natuurlijke identiteitsvormingsproces. In die zin is de selfie het ideale medium om met zichzelf te experimenteren. Zijn we in onze digitale identiteit dus helemaal niet zo onvrij en onderworpen aan ensceneringsdruk, zoals critici beweren? ‘Ik denk dat het vooral een kwestie van vaardigheden is,’ zegt internetsocioloog Stephan Humer. ‘De stelling dat digitalisering ons volledig boven het hoofd groeit en onze bewegingsvrijheid inperkt, is meestal niet meer dan een goedkoop argument. Wie zich serieus in de kansen en risico’s van digitalisering verdiept, kan zijn identiteit ook op een zinvolle manier beheren.’

Nieuw identiteitsbeheer

Onze identiteit beheren betekent volgens Humer vooral dat we kunnen omgaan met de nieuwe rollen waarmee we op het internet worden geconfronteerd. ‘De digitale identiteit is allang een onderdeel van onze identiteit. Het is niet langer iets waartegen we ons kunnen of moeten beschermen. Maar we moeten leren ermee om te gaan, net zoals we ooit analoge gedragingen hebben moeten aanleren.’ Hoe complex deze taak ook is, we hebben geen andere keus dan de uitdaging aan te gaan. ‘Digitalisering is een revolutie, ook voor ons ik.

Maar leidt dit ongedwongen wisselen van online-identiteiten er uiteindelijk niet toe dat ook de eigen offline-identiteit alleen nog maar als toevoeging aan onze verzameling ik-ontwerpen wordt gezien? In feite bevinden we ons al geruime tijd in een toestand van verandering, schreef cultuurwetenschapper Klaus Theweleit in mei 2015 in een essay voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung. De nieuwe digitale identiteiten zouden deze trend volgens hem alleen versterken. Het concept van een waar, consistent zelf is echter een uitvinding van de moderne roman aan het eind van de 19e eeuw met zijn constructie van een burgerlijk ik, dat op zijn beurt een voorloper was van Sigmund Freuds psychoanalytische ego.

Hoe vrij zijn we nu echt op het Internet?

Of we de digitale identiteit nu als dwangmatig exhibitionisme zien of als creatieve veranderlijkheid, de vraag blijft in hoeverre het überhaupt mogelijk is het ik op het internet vrij vorm te geven. ‘Misschien bepalen wij nog steeds hoe we onszelf als ik op het internet willen voorstellen en presenteren, maar met onze handelingsgerichte identiteit, dus de manier waarop we als ik met onze omgeving omgaan, hebben we in feite steeds minder speelruimte. Want daarvan wordt steeds meer gedocumenteerd, en dus als digitale sporen opgeslagen,’ aldus sociologe Mönkeberg.

De Duitse journalist en blogger Enno Park redeneert vanuit een compleet ander perspectief. Ondanks alle risico’s benadrukt hij vooral de mogelijkheden die digitalisering biedt om een nieuw en flexibeler begrip van identiteit te ontwikkelen. Sinds vier jaar draagt Park een zogenaamd cochleair implantaat, waardoor hij bijna weer volledig kan horen. Op zijn zeventiende kreeg hij de mazelen en raakte hij zijn gehoor kwijt. Zonder dit apparaat zou hij bijna doof zijn. Park zegt het volgende: ‘Digitalisering maakt eigenlijk nu pas voor het eerst zichtbaar dat onze identiteit uit tegenstrijdigheden bestaat en dat we allemaal van bepaalde normen afwijken. Deze zichtbaarheid is een voorwaarde voor een tolerante samenleving waarin we openlijk en zonder ons in de privésfeer te verschuilen helemaal onszelf kunnen zijn.’