Taalbeelden Hoe woorden ons denken beïnvloeden

Linguïste Elisabeth Wehling
Linguïste Elisabeth Wehling | Foto (uitsnede): © Elisabeth Wehling

Maakt het verschil of we over ‘vluchtelingen’ of ‘gevluchte mensen’ spreken; verandert dat het discours? Linguïste Elisabeth Wehling onderzoekt hoe woorden en formuleringen ons denken vormen. Aan de University of California in Berkeley analyseert ze de betekenis van taal in politieke debatten.

Mevrouw Wehling, u hebt het publieke debat in Duitsland over de zogenaamde vluchtelingencrisis vanuit een dubbele distantie gevolgd: met de wetenschappelijke afstand van een linguïste en vanuit uw observatiepost in Californië. Welke ontwikkeling ziet u?

In het begin hadden we linguïstisch gezien een beeld dat we als cognitief-linguïstisch onderzoekers al jaren kennen: de migranten als watermassa, die het land ‘binnenstroomt’. Dat was nog een tamelijk onschuldig beeld. Maar de intensiteit nam steeds meer toe: vluchtelingengolf, vluchtelingentsunami.

Hoe kun je als taalonderzoeker voorkomen dat je zelf onnodig negatieve associaties creëeert? Drukt een beeld als vluchtelingenstroom in eerste instantie niet gewoon de urgentie van de situatie uit, de noodzaak om snel in actie te komen?

Op het moment dat je van de vluchtelingen een watermassa maakt, ontdoe je ze van hun menselijkheid. Je ontneemt ze hun individualiteit. Dan wordt het moeilijker de empathie te voelen die ten grondslag ligt aan de conventie van mensenrechten. Als je huis dreigt te overstromen, ga je niet bedenken hoe je het water het beste over de kamers kunt verdelen, maar gooi je de deuren dicht, je sluit je af en stapelt zandzakken voor de deur.

Veel in het beeld van de vluchtelingenstroom komt niet overeen met de feiten

Stelt u zich een bestuurder voor die in de herfst van 2015 elke dag nieuwe vluchtelingen moet onderbrengen. Hij spant zich tot het uiterste in om voor elke vluchteling een plek te vinden, maar de volgende ochtend staat weer hetzelfde aantal mensen voor de deur. Komt in een dergelijke situatie niet vanzelf een beeld als een stroom op?

Toch kun je de feitelijke situatie ook door middel van andere taalbeelden overbrengen. En er is veel in het beeld van de vluchtelingenstroom dat niet overeenkomt met de feiten. Een waterstroom wordt gevoed door een bron en houdt inderdaad niet op. De Rijn kun je niet keren door gesprekken met Zwitserland te voeren. Je zou kunnen spreken van een menigte, een menigte van mensen die op zoek zijn naar veiligheid. Dan zie je mensen voor je, mensen die zich verdringen, in de rij staan, bijvoorbeeld voor een warenhuis. Taal is politiek. De bestuurder die liever van ‘een menigte mensen’ dan van een ‘stroom’ spreekt, garandeert menselijk handelen.

U gaat verder dan kritiek op ondoordachte taalbeelden en ontdekt bedenkelijke implicaties in begrippen die geen beeldend gehalte hebben, zelfs in het woord ‘vluchteling’ zelf.

Waarom moeten we ons tweemaal bedenken voordat we van ‘vluchtelingen’ spreken?

Degene die naar ons toekomt en bescherming zoekt, is in de regel iemand die niet zonder reden komt. Het is iemand die voor iets op de vlucht is. Een mens op de vlucht. Dan leg je de nadruk anders.  Bij het woord ‘vluchteling’ denk je niet meer aan datgene waarvoor ze weglopen, waarvoor ze vluchten. Bovendien is het Duitse woord Flüchtling onzijdig.  De vrouwelijke vorm die Flüchtlingin vind je misschien nog bij Goethe, maar is tegenwoordig ongebruikelijk. Als je het woord der Flüchtende/Geflüchtete (de man/jongen die vlucht) of die Flüchtende/Geflüchtete (de vrouw/het meisje dat vlucht) gebruikt, kun je wel onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk.

Vluchtoorzaken onder het kleed vegen

Flüchtling is een oud Duits woord. De eerste twee voorbeeldzinnen in het woordenboek van Grimm luiden: ‘Wir sind Flüchtlinge und bitten um ein Obdach.’ (Wij zijn vluchtelingen en vragen om onderdak’).  En een citaat uit de Luthervertaling van de Bijbel: ‘Ihr sollt dem Flüchtling Herberge geben’ (Gij zult de vluchteling herbergen.) Als je het feit dat mensen op de vlucht zijn, dus het aspect dat het een proces is en de voorbijgaande aard van hun situatie benadrukt, relativeer je dan niet de aanspraken die ze maken tegenover ons, die wonen in dit land? Vluchtende mensen heb je ook als er een huis in brand staat. Als vluchtelingen uit een brandend huis noodopvang hebben gevonden, zijn ze niet meer op de vlucht. Drukt het begrip vluchteling niet de morele realiteit uit dat iemand door het noodlot van de vlucht ook als persoon gedefinieerd wordt?

Het woord ‘vluchteling’ is natuurlijk in veel culturele narratieven verankerd. Maar om een voorbeeld te noemen: Katja Kipping, de voorzitster van Die Linke, heeft het altijd over Geflüchteten; dat komt anders over. Het impliceert de mensen die zijn gevlucht. Op het moment dat je spreekt van een vluchteling, veeg je in taal en in gedachten de vluchtoorzaak onder het kleed.

Is dat zo? Je vlucht toch altijd voor iets? Vlucht zonder oorzaak bestaat toch helemaal niet?

De omstandigheden waarvoor mensen vluchten zijn niet altijd door mensen veroorzaakt. Je kunt tenslotte ook vluchten voor natuurrampen. Maar als je spreekt van ‘verdrevenen’ denk je eerder aan een oorlogsscenario, dus aan de politieke oorzaken. Bij het woord ‘verdreven’ denk je automatisch ook aan ‘huis en haard’.
 

Leestip

In haar in februari 2016 verschenen boek Politisches Framing: Wie eine Nation sich ihr Denken einredet – und daraus Politik macht (edition medienpraxis 14) legt linguïste Elisabeth Wehling in begrijpelijke bewoordingen uit hoe taal ons denken en doen beïnvloedt en waarom het voor een gezond democratisch discours van groot belang is om de denkkaders die de maatschappij en politiek beheersen – dus impliciete interpretatiepatronen – te toetsen aan onze eigen waarden.