Marcel Beyer Gekmakend goed

Marcel Beyer
Marcel Beyer | Foto (uitsnede): © Jürgen Bauer/Suhrkamp Verlag

Marcel Beyer krijgt in 2016 de Georg-Büchner-Preis, een van de meest gerenommeerde prijzen voor Duitstalige literatuur. In het juryrapport staat dat hij ‘zowel het epische panorama als de poëtische microscopie’ beheerst. Hauke Hückstädt, directeur van het Frankfurter Literaturhaus en zelf dichter, heeft Marcel Beyers ontwikkeling op de voet gevolgd. Een persoonlijke bijdrage over de winnaar van de Büchner-prijs.

In de gedichten van Marcel Beyer zit iets wat me bijna gek maakt. ‘Wesp, kom in mijn mond…’ Terwijl hijzelf het achteloze heeft van iemand die verworteld is. Maar dan wel verworteld in interesse. Alles interesseert hem. Ik heb hem nooit anders gekend. Als ik Marcel Beyer voor me zie, dan zie ik meteen ook die enorme blijdschap over iets nieuws dat hij net te weten is gekomen. En dat lijkt voortdurend te gebeuren. ‘Kein Satz bleibt unerwidert. / Nichts bleibt unzerstört.’ (Geen zin blijft onbeantwoord. / Niets blijft heel.) Beyers gedichten zitten vol kennis, aangevuld met nieuwe wetenswaardigheden, en dat altijd van het beste materiaal. Beyer is zich niet gewoon maar een beetje aan het verwonderen, zijn gedichten zijn nooit domweg ‘origineel’ en er hoeft al helemaal niet in geëxperimenteerd te worden met de taal. Hij schrijft zijn gedichten zo, dat je niet ziet hoe doorwrocht ze zijn. Hij is geen historicus (ook niet in zijn romans), maar wel een getuige: ‘Was für ein Ort. Was für ein / Land. Ich stehe da, im / Nicki der Geschichte...’ (Wat een oord. Wat een / land. Hier sta ik, in / de sweater van de geschiedenis…).

Het ritme sleept ons mee

Zijn teksten zijn niet breed uitgesponnen. Ze zijn niet in elkaar geflanst en er is niet aan geknutseld. Ze spreken tot ons. En wij spreken ze na als we ze lezen. Hun ritme sleept ons mee, door velden met koolzaad, misschien ergens in Polen: ‘Das Bild läuft voll mit Raps, Raps / bis zur Kante, bis zum Haaransatz, randvoll mit Raps / Rapsaugen, Rapskopf, Rapsgeräusche, kein Preßzeug / keine Margarine, nichts als Raps.’ (Het beeld vult zich met koolzaad, koolzaad / tot aan de rand, tot aan de haargrens, randvol met koolzaad / koolzaadogen, koolzaadhoofd, koolzaadgeluiden, geen geperste troep / geen margarine, alleen maar koolzaad). Dat is trouwens ook zoiets: de stem van de gedichten is vaak onderweg, op reis, op rooftocht voor de ogen. Voortdurend. In een gedicht dat ik heel mooi vind, is die stem schijnbaar alleen maar op de gang, in elk geval onderweg van de ene kamer naar de andere: ‘Und manchmal, nachts, schuffele ich leise / durch dein Zimmer, doch meinen Namen / rufen sollst du nicht (...) Du siehst / mich ja, wie ich im Bad verschwinde, kein Mann, kein Möbelstück, kein Kind, und / wie ich mir die Pokemonkrawatte binde, bis / meine müden Finger eingeschlafen sind (…)’ (En soms schuifel ik ’s nachts langzaam / door je kamer, maar mijn naam / roepen mag je niet (…) Want je ziet / me wel, hoe ik in de badkamer verdwijn, geen man, geen meubelstuk, geen kind, en / hoe ik mijn Pokemondas strik, tot / mijn moede vingers in slaap gevallen zijn). Het woord schuffeln vond ik meteen mooi. Ik kende het amper, had het nog nooit iemand horen zeggen. Maar door de gelijkenis met het Engelse shuffle beeldde het plastisch voor me uit hoe het voelt als we wegdoezelen en het alleen nog maar lijkt of we in actie zijn. We zijn dan toevallige weergaven van onszelf.

Werk vol verwijzingen

Je hoeft daarvoor helemaal niet te weten dat Der letzte Schlurf, zoals dit gedicht heet, verwijst naar de Oostenrijkse dichter Ernst Jandl en de Schlurfs, zoals de langharige Weense swingjongeren, waarvan Jandl er een was, in de tijd van het nationaalsocialisme werden genoemd. En de kamer waardoor de stem van het gedicht ‘schuifelt’ zou die van de dichteres Friederike Mayröcker kunnen zijn. Dat is goed mogelijk. Maar ik heb er lang Marcel Beyer zien lopen. Ik heb het altijd gelezen als een zelfportret van de auteur: ’s nachts door de kamers lopend, tussen de regels door, volkomen doelloos, half op de tast, drentelend door de verduisterde stemming. Je zou later niet kunnen zeggen wat je er deed. Misschien was je op zoek naar een boek, een plek, een citaat.
 
Het werk van deze dichter zit vol verwijzingen. Marcel Beyer schrijft operateksten, romans, essays, muziekrecensies; hij heeft de Engelse gedichten van de van oorsprong Duitse Michael Hofmann vertaald, Friederike Mayröckers werk geredigeerd en – tot nu toe – drie dichtbundels geschreven. Deze drie bundels, Falsches Futter (1997), Erdkunde (2002) en Graphit (2014), behoren in ieder geval tot het allerbeste wat de Duitstalige literatuur sinds tientallen jaren te bieden heeft: ‘Wespe, komm in meinen Mund / mach mir Sprache, innen / und außen mach mir was am / Hals, zeig’s dem Gaumen, zeig es / uns.’ (Wesp, kom in mijn mond / maak spraak voor me vanbinnen / en zit me vanbuiten op mijn nek, zeg mijn gehemelte – zeg ons de waarheid).