Peter Weiss Heen en weer geslingerd

Peter Weiss
Peter Weiss | Foto: © Andrej Reiser/Suhrkamp Verlag

Schrijver Peter Weiss worstelde in ballingschap in Stockholm met het Duitse en zijn eigen verleden. In november 2016 zou hij honderd zijn geworden.

Met zijn driedelige roman Die Ästhetik des Widerstands (De esthetica van het verzet, vertaling Peter Kaaij) schreef Peter Weiss een van de hoogtepunten van de twintigste eeuw, dat zich kan meten met de boeken van Marcel Proust of James Joyce en dat een hele generatie vormde. Pas bij de verschijning van het derde deel in 1981 kreeg hij waardering voor deze prestatie. Vandaag de dag geeft Peter Weiss nog steeds aanleiding tot debatten over politiek en kunst – op 8 november 2016 zou hij honderd zijn geworden.

Weiss werd geboren in 1916 in Babelsberg, nu een wijk van Potsdam. Zijn vader stamde uit een Joodse, Oostenrijks-Hongaarse familie en was textielkoopman. Zij moeder, die een kortstondige carrière als actrice had, kwam uit Zwitserland. Na de machtsovername door Hitler in 1933 emigreerde het gezin eerst naar Londen en vervolgens naar Tsjecho-Slowakije, waar Peter Weiss drie jaar aan de Praagse kunstacademie studeerde. Ten slotte was het ook daar niet veilig meer en trok het gezin verder naar Zweden. In 1940 vestigde Peter Weiss zich als onbemiddeld schilder in Stockholm.

Gevoel van ontworteling

Hier begon hij te schrijven en publiceerde bij de gerenommeerde uitgeverij Bonnier in Stockholm zijn eerste boek, Från ö till ö (Van eiland tot eiland). Het succes bleef echter uit. De volgende jaren werkte Weiss als experimenteel filmer en criticus en vanaf 1952 leefde hij samen met de decorontwerpster Gunilla Palmstierna. Ze deelden het gevoel van ontworteling: De uit Lausanne afkomstige Palmstierna als kind de verwoesting van Rotterdam meegemaakt.

 In 1960 kreeg Weiss de kans om in Duitsland te publiceren: Siegfried Unseld van Suhrkamp gaf de korte roman Schatten des Körpers des Kutschers uit, een surrealistische tekst met kafkaiaanse elementen. Het was Weiss’ doorbraak. Unseld hoopte hem als nieuwe stem van het Duitse proza aan de man te brengen. Maar Weiss ging toneelschrijven en kreeg internationale bekendheid met zijn geraffineerde stuk Die Verfolgung und Ermordung Jean Paul Marats dargestellt durch die Schauspielgruppe des Hospizes zu Charenton unter Anleitung des Herrn de Sade (Ook in Nederland in vertaling opgevoerd: De vervolging van en moord op Jean Paul Marats opgevoerd door de toneelgroep van het gekkenhuis van Charenton onder regie van de markies de Sade).

Steeds meer een politiek schrijver

Met zijn tweede succesvolle toneelstuk, een docudrama gebaseerd op de dossiers en protocollen van het eerste Auschwitz-proces in Frankfurt Die Ermittlung. Ein Oratorium in elf Gesängen (1965, Het onderzoek. Een oratorium in elf gezangen) bracht hij het verdrongen Duitse verleden onder de aandacht. Het stuk werd onder regie van Ingmar Bergman opgevoerd in het Koninklijk Dramatisch Theater in Stockholm. Het is tot op de dag van vandaag misschien de meest pregnante portrettering van de verschrikkingen van het naziregime.

Weiss’ uitgever Unseld was er niet zo blij mee dat Weiss steeds meer een politiek auteur werd. ‘Mijns inziens heeft het weinig zin je in woorden politiek te engageren zonder dat er concrete daden op volgen,’ schreef hij in een brief aan Weiss. ‘Maar uiteindelijk is schrijven de taak van de schrijver, en niet de actie. Je hebt momenteel zo’n grote invloed door je literaire werk. Ik constateer in toenemende mate dat je die invloed door je commentaren ondermijnt.’ Weiss sloeg het advies in de wind en schreef een nieuw stuk Viet Nam Diskurs,  dat in 1968 in Frankfurt in première ging.

Geplaagd door twijfel

Met het stuk Trotski im Exil (Troski in ballingschap) maakte hij een jaar later vijanden in de DDR, zodat hem in 1971 de toegang tot het land werd ontzegd. Zijn eveneens bij Suhrkamp uitgegeven correspondentie met zijn uitgever en zijn dagboeken geven gedetailleerde informatie over zijn leven.

Zo schrijft hij in 1971: ‘Ik denk in tegenstellingen, altijd these en antithese (...) wordt ook altijd geplaagd door twijfel, moeite om ergens voor te kiezen, heen en weer geslingerd, onzeker over mijn werk, eerst schilderen – schrijven, toneel – film, taal – reizen – een voortdurend peilen, het is alsof mijn hele wezen bestaat uit deze beide conflicterende tegenstellingen, waartussen alles moet worden beslist, en die met geweld tegengestelde dingen van mij eisen – die mijn drijvende kracht zijn, van waaruit al mijn werk ontstaat.’

Na zijn toneelcarrière vond Peter Weiss zichzelf opnieuw uit als schrijver en schreef hij De esthetiek van het verzet, een fictieve autobiografie. De ik-verteller is een jaar jonger dan Weiss. Het gaat over de strijd tegen het fascisme in de jaren dertig en veertig. Weiss maakt het zijn lezers niet gemakkelijk, omdat hij zonder alinea’s werkt. De roman staat bekend als onleesbaar, terwijl er een grote suggestieve kracht van uitgaat. Zoals van een schilder te verwachten is, schept Weiss geweldige beelden.

Hij heeft duidelijk geworsteld met de tekst. Voor hij de roman afsloot, noteerde hij in zijn dagboek: ‘Elke keer als ik ga schrijven, is het een experiment. Met de taalklanken om me heen kan ik niets beginnen. Veel in de taal die ik gebruik, is verouderd, afwijkend, bevreemdend. Is het wel Duits?’

Weiss kreeg te laat waardering voor zijn werk: in november 1982 verleende de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung hem de Georg-Büchnerprijs. Hij was al overleden in mei 1982 en is op de Joodse begraafplaats in Stockholm begraven.