Interview met de Duitse directeur van het Groninger Museum Groninger Museum: alles onder één dak

Museum Groningen
© Ralph Richter

Sinds 1 september 2012 staat de in Berlijn geboren Andreas Blühm (1959) aan het hoofd van het Groninger Museum

Blühm studeerde kunstgeschiedenis aan de universiteiten van Tübingen en Berlijn, deed vrijwilligerswerk in een museum in Lübeck en werkte als curator in Regensburg. Van 1993 tot 2005 organiseerde hij tentoonstellingen voor het Van Gogh Museum in Amsterdam en vervolgens was hij hoofd van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de verbouwing van de galerie en de foyer. In 2012 nam hij het aanbod aan om als directeur in het Groninger Museum aan de slag te gaan – een museum met gemiddeld 200.000 bezoekers per jaar. Bij die beslissing gaven onder meer privéredenen de doorslag (zijn vrouw komt uit Groningen). Diverse tentoonstellingen volgden, waarvan de overzichtstentoonstelling van David Bowie (2016) voorlopig het hoogtepunt is. Na een ‘ambtstermijn’ van vijf jaar heeft Blühm afgelopen herfst een contract voor onbepaalde tijd gekregen. Reden genoeg voor een gesprek met hem. Hoe gaat het met hem? Wat maakt het zo bijzonder een museum als dat in Groningen te leiden en waarin onderscheidt de Duitse bedrijfsvoering in musea zich van de Nederlandse?
 

In de huidige tentoonstelling ‘De Romantiek in het Noorden’ hangen ook schilderingen die in bruikleen zijn van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. Blijkbaar loopt er nog een lijntje naar uw vorige werk …

Blühm (grinnikend): Inderdaad. Ik grijp elke gelegenheid aan om mijn collega’s iets af te troggelen zodat ze me hier komen opzoeken.

Uw contract in het Groninger Museum werd in de herfst verlengd. U bent nu 59. Is dit het eindstation van uw loopbaan voordat u met pensioen gaat?

Ach, je weet nooit wat er in het leven gebeurt. Ik leef bij de dag en laat de dingen op me afkomen. Maar in principe kan ik me dat voorstellen, graag zelfs.

Waarom bent u destijds van Keulen naar Groningen gegaan? U deed uw werk daar toch goed en hebt er ook verschillende onderscheidingen voor gekregen?
Bijvoorbeeld die van ‘beste cultuurmanager 2009’ als erkenning voor uw artistieke successen en uw belang voor de Keulse cultuur.


Ik had meerdere redenen om hiernaartoe te komen, maar geen redenen om weg te gaan, vooral niet als ik denk aan het Wallraf-Richartz-Museum. Er waren privéredenen en redenen die te maken hadden met de werkwijze en zelfstandigheid van musea, dus met het systeem. Je kunt hier eigenlijk beter werken, beter ondernemen. Je hebt inhoudelijk en economisch meer bewegingsvrijheid. In Duitsland is het museum een ambtelijk organisatie, hier is het een zelfstandige stichting. Duitse gemeentes kunnen niets uit handen geven. In Nederland wordt anders gewerkt. Hier heeft de gemeente als subsidieverstrekker natuurlijk uiteindelijk wel de touwtjes in handen en een belangrijke vinger in de pap, maar ze delegeert projecten aan particulieren of stichtingen en laat die ermee aan de slag gaan. Als particuliere organisatie ben je toch flexibeler op de markt en gedraag je je anders dan een overheidsinstantie.

Waaraan is dat te merken?

In Keulen had ik soms het gevoel dat ik 80 procent van mijn tijd bezig was om overheidsinstanties en subsidieverstrekkers, zoals het Kulturamt, uit te leggen wat we precies aan het doen waren. En dat gevoel heb ik hier niet. In Keulen zat ik urenlang bij de cultuurcommissie te wachten om drie minuten het woord te mogen voeren. Voor een commissie van dertig mensen, die bovendien ook geen tijd hadden – en dat is absoluut geen verwijt – om zich met de details bezig te houden, laat staan met de grote lijnen, zoals vierjarenplannen of budgetten voor tentoonstellingen. Hier heb ik nog nooit voor een cultuurcommissie gezeten. De beleidsverantwoordelijken zie ik natuurlijk vaker, maar formeel slechts een of twee keer per jaar.

Met al die vrijheid die u in Nederland hebt, wie controleert uw werk?

Natuurlijk overleggen we ook hier alle cijfers. We krijgen subsidie van de stad en de provincie. En uiteraard worden we op de vingers getikt als het niet lekker loopt. Maar daarvoor is een raad van toezicht ingesteld, die ons beoordeelt en toezicht op ons houdt, en die de directeur ontslaat of benoemt. Over de echt grote budgetten moet met die raad worden onderhandeld.

Hoe is de raad van toezicht samengesteld?

De voorzitter is de commissaris van de Koning in Noord-Holland. Dat is een politicus. Daarnaast is er nog iemand voor de financiën, iemand die uit het cultuurmanagement komt – dat is trouwens Inez Boogaarts. Zij staat momenteel aan het hoofd van de Zukunftsakademie NRW in Bochum. En iemand van architectenbureau MVRDV in Rotterdam. Dan is er nog de decaan van de Hanzehogeschool hier in Groningen en een professor voor regionale geschiedenis aan de universiteit, dus een wetenschapper. Er wordt altijd gestreefd naar een zo divers mogelijke samenstelling. Na maximaal acht jaar moeten de leden aftreden. Daarna worden er anderen op hun plaats benoemd, zodat alle sectoren altijd genoeg aandacht krijgen.
 

  • Andreas Blühm © Ewoud Rooks
    Andreas Blühm, directeur van het Groninger Museum
  • De romantiek in het Noorden © Peter Tahl
    De romantiek in het Noorden
  • De romantiek in het Noorden © Peter Tahl
    De romantiek in het Noorden
  • De romantiek in het Noorden © Peter Tahl
    De romantiek in het Noorden
  • De romantiek in het Noorden © Peter Tahl
    De romantiek in het Noorden


U kunt tevreden zijn over de bezoekersaantallen – gemiddeld 200.000 per jaar, net zoveel als het aantal inwoners van de stad. Welk concept hebt u in Groningen ontwikkeld om met name jonge bezoekers te trekken?

De wintertentoonstellingen – die nu lopen – zijn meer voor het traditionele publiek. Ons werk berust namelijk op verschillende pijlers. Enerzijds zijn we het stadsmuseum van Groningen. Vandaar ook de tentoonstelling ‘500 jaar Reformatie in Groningen’. Daarnaast besteden we aandacht aan 'De Ploeg’. Dat zijn de plaatselijke expressionisten, de stadsheiligen. In 2018 bestaat die groep kunstenaars 100 jaar, dan zal er dus ook een grote tentoonstelling over dat onderwerp worden georganiseerd. Verder hebben we mode en design (vanaf april David LaChapelle), waar ook jonge mensen naar komen kijken. Daar verheug ik me echt op. Dat is ook het geweldige aan dit museum, dat je alles kunt doen. De Ploeg is iets voor het regionale publiek. De tentoonstelling over David LaChapelle die parallel loopt, trekt een totaal ander publiek. Daardoor treedt het al meerdere keren geconstateerde neveneffect op dat de mensen voor het ene komen en het andere ontdekken. Dat is iets wat in dit museum veel beter werkt dan in andere musea. Het Van Gogh was natuurlijk veel gespecialiseerder, het Wallraf-Richartz-Museum eigenlijk ook. Hier heb je alle grote musea van Keulen – het Wallraf-Richartz-Museum, het Ludwig Museum, het Rautenstrauch-Joest-Museum, het Stadtmuseum en het MAKK – onder één dak.

Waar liggen op dit moment uw wortels?

Gevoelsmatig in Bremen. Ik ben in Bremen opgegroeid en fan van Werder Bremen. In dat opzicht ben ik een echte noorderling. Wel interessant eigenlijk dat ik nog nooit zo dicht in de buurt van Bremen heb gewoond en gewerkt als nu.

Tot slot een nogal banale vraag. Is het een opluchting in uw dagelijks werk overal door uw collega’s te worden getutoyeerd?

Daar sta ik helemaal niet meer bij stil. Want in Amsterdam was dat ook al zo. En hier ook. Doordat wij Duitsers elkaar met u aanspreken, hebben Nederlanders het gevoel dat we hiërarchisch zijn.  Ten dele klopt dat wel, ten dele ook minder dan ze denken. Ik kan mensen ook met u aanspreken en prima met ze omgaan. Het effect wordt eigenlijk overschat. De Britten zeggen immers ook allemaal ‘you’, zelfs tegen de koningin. Hier hebben we tenminste nog de keus.

Tentoonstellingen (selectie):
‘De Romantiek in het Noorden’, tot 6-5-2018
‘David LaChapelle – Good News for Modern Man’, vanaf 21-4-2018 tot 28-10-2018
‘De Ploeg’ tot 31-12-18 (vanaf 26-5 met zwaartepunt de Groninger avant-garde van 1918 tot 1928)