Frankreich
Bruno Heckmann

Nu kunnen we allemaal in vrede sterven

Frankreich ist kein Fußballland. Oder ist Gewinnen einfach zu vulgär? Bruno Heckmann über fehlende Fußballbegeisterung, die großen Männer, die Frankreichs Ballsport braucht – und außergewöhnliche Siege.

Als mijn vrouw erbij is, zeg ik altijd dat de geboorte van ons eerste kind de mooiste dag van mijn leven was. Maar omdat ze er nu niet is, verklap ik een geheim: dat is niet waar. De mooiste dag van mijn leven zal voor mij altijd 12 juli 1998 blijven. Een machtig, zuiver, absoluut, alomvattend geluksgevoel. Vader worden is per slot van rekening iets gewoons. Maar wereldkampioen worden door Brazilië met 3-0 te verslaan, dat is buitengewoon, onwaarschijnlijk, onvoorstelbaar.
 
We dachten altijd dat deze heilige graal voorbehouden was aan anderen, aan de favorieten. Duitsland, Brazilië, Italië. Maar niet aan ons. In wezen zijn we geweldige losers, romantici die zich laten meeslepen door snel vergeten heldendaden en heroïsche nederlagen, mooi als een Griekse tragedie – o, Sevilla 1982! Eigenlijk staan de Fransen wantrouwig tegenover overwinningen. Winnen, dat is een beetje ordinair en banaal. Het is geen toeval dat het land dat de wereldbeker en de Europese kampioenschappen heeft uitgevonden er lang van heeft afgezien om zelf met de titel naar huis te gaan. In 2006 hadden we die vergissing bijna begaan, maar ten slotte dachten we: nee, de Italianen genieten er zo van, we laten hen maar winnen. Dat is onze genereuze kant. Neerbuigend, maar genereus.
 
1998 is een anomalie. En dat zijn de EK-overwinningen in 1984 en 2000 ook. Iets onlogisch in het land van de logica. Want Frankrijk is geen voetballand. Er is geen echte passie, geen vuur. Geen equivalent voor de liederen in Anfield Road en de gele muur van het Westfalenstadion. Een armzalige wave, een miezerige Marseillaise, twee, drie vlaggetjes, dat is alles. Het nationale elftal lijkt op een redevoering van François Hollande: triest, kleurloos en saai. Matig gevulde tribunes, futloze toeschouwers, een treurige vertoning. Eigenlijk zijn de Fransen niet in staat om zich over te geven aan de hartstocht van de leren knikker. Want voor hartstocht moet je je verstand en kritische geest uitschakelen, een van de fundamentele deugden van dit land van de onverbeterlijke cartesianen. En als je voetbal als profane religie ziet, hoe kun je dan verwachten dat een van de meest atheïstische volken goden aanbidt, ook al zijn het de goden van het stadion?
 
Frankrijk is geen voetballand, maar wel, en dat is een andere paradox, een land van voetballers. Van grote voetballers. Kopa, Platini, Zidane: Deze drie nummers 10 belichamen de hoogtepunten van het Franse voetbal. Dat is de rode draad in onze geschiedenis: om groot te zijn, heeft Frankrijk grote mannen nodig. Zonder hen zijn we reddeloos verloren. Sinds Zidane gestopt is met voetballen, schitteren les Bleus meer buiten dan op het veld. Met als hoogtepunt Zuid-Afrika: nooit eerder in de geschiedenis van het wereldkampioenschap weigerde een elftal deel te nemen aan een training. Wat we allemaal niet voor onze voeten geworpen hebben gekregen: Schandalig! Wat een afgang! We moeten de guillotine weer invoeren! Maar het busincident is gewoon een van de belangrijkste uitingen van de Franse volksaard: een staking.
 
Maar dat is niet erg. Niets is meer erg. Ik heb mogen meemaken dat Frankrijk wereldkampioen werd. Sindsdien gelden voor mij de onvergetelijke woorden van de legendarische tv-commentator Thierry Roland op die 12e juli 1998 in de euforie na het affluiten: ‘Ik denk dat we nu allemaal in vrede kunnen sterven.’