Belgien
Herman Brusselmans

De windstoot

In der Familie von Herman Brusselmans hat Fußball Tradition. Voller Selbstironie erzählt der belgische Schriftsteller, wie ein harmloser Windstoß seine Sportler-Karriere beendete.

Bij ons thuis was iedereen dol op voetbal, tot m’n inwonende grootmoeder Martha toe. In de tuin ging zij geregeld een balletje trappen, en ondanks haar leeftijd zat er heel wat vaart achter, en toen ze aldus met een van haar vlammende schoten de bek raakte van onze hond Dixie, die haar in de tuin gevolgd was, kon het diertje achteraf niet meer normaal blaffen. In plaats van ‘Waf waf waf’ blafte hij zoiets als ‘Wif wif wif’, waardoor hij door andere voortaan als een idioot werd beschouwd. Van lieverlede is m’n grootmoeder Martha dan maar gestopt met voetballen.
 
M’n vader was ooit keeper geweest bij SK Grembergen, m’n broer speelde rechtsbuiten bij SV Hardy, m’n zusje deed aan zaalvoetbal, m’n moeder was een fanatiek supporter van Anderlecht, en ik was de beste linksbuiten die ze bij de jeugdelftallen van Vigor Hamme, de belangrijkste ploeg in ons dorp, ooit gehad hebben. Ik introduceerde daar de schaartriplette, een bijzonder ingewikkelde dribbelbeweging, en alsook was ik een specialist in het rechtstreeks binnentrappen van hoekschoppen. Voetbalanalisten hebben zich er jarenlang het hoofd over gebroken hoe ik dat precies deed, maar ik zal m’n geheim meenemen in het graf.
 
Naast voetballer was ik ook drummer, bij de rockgroep The Green Midfield, en naar de mode van de tijd (de jaren zeventig van de vorige eeuw) hadden alle leden heel lang haar. Als ik drumde hing het haar los, en als ik voetbalde maakte ik het tot een staart met een elastiekje. Overigens combineerde ik, als tekstschrijver van The Green Midfield, m’n fascinatie voor voetbal en muziek, en schreef ik nummers als ‘Beckenbauer is a sissy’, ‘It’s off side, you blind fool!’ en ‘A cigarette before the game’. Als je mij had laten kiezen tussen het voetbal en de muziek had ik voor het voetbal gekozen, want zo’n getalenteerde drummer was ik eigenlijk niet. Een simpele rockbeat, oké, daar had ik geen moeite mee, maar een walsje, een bossa nova, of een tangoëske solo, behoorden helaas niet echt tot m’n mogelijkheden.
 
Op een dag hadden we belangrijke wedstrijd, tegen Scela Zele, een hard en geniepig elftal. Ik voelde me prima in vorm, en ik voorspelde in m’n binnenste dat ik minstens drie keer zou scoren. Ik leek op de goeie weg, want al in de eerste helft scoorde ik twee keer, met slechts één tegendoelpunt van Zele, kortom 2-1 voor Vigor Hamme bij de rust. Tijdens de pauze aten we overigens een sinaasappel, en als je geen sinaasappels lustte, en je vroeg bijvoorbeeld om een peer of een appel, dan kreeg je een mep tegen je bakkes van de trainer. Zo ging dat in die tijd. Maar goed, toen kwam de tweede helft. Het spel ging wat op en neer, en op een bepaald moment knapte het elastiekje waarmee ik m’n lange haar in een staart hield. Nu liep ik over het veld met wapperende manen. Rond minuut tachtig dribbelde ik twee tegenstanders met de schaartriplette, en ik raasde op het doel op, ik omspeelde de keeper, en toen kwam het: door een hevige windstoot woei al m’n haar voor m’n  ogen, ik zag geen steek meer, en op redelijk hoge snelheid liep ik te pletter tegen één van de doelpalen. Ik scoorde weliswaar bij die actie m’n derde doelpunt, maar ik moest wel afgevoerd worden naar het ziekenhuis. Niet alleen een lichte schedelbreuk, zo luidde het verdict, maar ook een zeer zware hersenschudding. Ik diende drie weken lang te herstellen. Vervolgens wilde ik weer m’n carrière als drummer en voetballer opnemen, maar ik kon bij het drummen totaal geen maat meer houden, en bij het voetballen wist ik met moeite hoe je kon lopen zonder over je eigen poten te struikelen. Ik moest beide hobby’s opgeven, en vooral dat ik niet meer kon voetballen na dat stompzinnige ongeluk deed me veel pijn. Maar m’n haar laten knippen, dat heb ik toch maar nooit gedaan.