Ukraine
Irena Karpa

Rola, bola, voetbola Of hoe voetbal ooit bijna in mijn leven was gekomen

„Scheiß Sport!“ sagt sich die ukrainische Schriftstellerin Irena Karpa. Bis zu dem Tag, an dem Außenseiter Ljoscha mit ihr Fußball spielt.

(Samenvatting)
 
verschenen in: Wodka für den Torwart: 11 Fußball-Geschichten aus der Ukraine (Uitg. Verein transit e. V., Berlin: Ed. fotoTAPETA, 2012)

 
 
 
[…]
En de onsterfelijke liefde, wanneer overkomt je die, als het niet op je twaalfde of dertiende is? (...) Hij heette Artem en had een colli die Rats heette. En ik had Dick. Artem was knapper dan ik en Rats was slimmer dan Dik. Artem speelde basketbal en Rats begreep de mensentaal. Ik keek alleen maar toe hoe goddelijk mijn vriendin Julka tennis speelde, en Dick begreep de mensen precies zoals het hem uitkwam. Julka’s begenadigde tennisspel bestond voornamelijk uit haar korte rokje en haar lange benen. Ik weet het niet, misschien had ik ook wel lange benen, maar onder die gelijkmatige vetlaag en mijn spijkerbroek met de riem op het eerste gaatje (vanwege de taille) zag je daar weinig van. Geen wonder dus dat Artem verliefd werd op Julka en niet op mij. Het was logisch, maar daarom niet minder pijnlijk. ‘Klotesport!’ dacht ik, niet bij machte om een bal in een basket te krijgen of er één met een tennisracket te raken.
Onderweg van school naar huis – ’s zomers veranderde de school altijd van een martelkamer in een speelplaats en toevluchtsoord voor verliefde tieners – liep ik al te watertanden bij de gedachte aan mijn oma’s lekkere maccaroni met boter en gehakt, toen ik opeens iemand zag die er nog lulliger uitzag dan ik. Een lelijke, rossige, slungelige jongen met bril. Een echte uitslover, negens voor wiskunde en biologie, zesjes voor sport. Zulke types mogen nooit een hond van hun ouders en andere kinderen willen alleen maar vrienden met ze zijn als er een of andere repetitie aan zit te komen. Ik heb hem nooit zonder bril gezien ook nu had hij hem op. Verder had hij had een boek bij zich en... een voetbal onder zijn arm. Bovendien had hij nog een plastic zakje bij zich, kennelijk zaten daar zijn boterhammen voor tussen de middag in, maar dat kon ik niet goed zien. Het was alleen duidelijk dat hij geen idee had wat hij met al zijn schatten aan moest.
 
[…]
Nu is het niet meer te achterhalen wat hij nou eigenlijk had met dat voetballen. Het moet iets heel persoonlijks zijn geweest, in elk geval rende Ljosja elke ochtend, als ieder normaal mens nog op één oor lag, achter de bal aan over het van scheuren doortrokken sportveldje, dat bestemd was voor alle mogelijke sporten, maar wel het minst geschikt was voor voetbal, want áls er al een grasspriet groeide, dan hoogstens tussen de scheuren in het asfalt, en bovendien lag er overal hondenpoep, zodat je altijd moest hordelopen over de drollen.
Op hetzelfde ochtendlijke uur, als niemand behalve de al indirect genoemde hondenbezitters mijn schande konden zien, ‘liep’ ik. Maar het was niet zomaar lopen, ik deed dus niet aan joggen (dat woord kende ik toen nog niet eens), maar ik rende, gewikkeld in plasticfolie. Want dat had als het ware een saunaeffect: je rent, je zweet je kapot en het vet stroomt zo je poriën uit, je smelt gewoon als spek in de koekenpan. Super simpel allemaal, als je maar een doel voor ogen hebt.

[…]
Weldra was ik zwijgend met Ljosja verenigd in het lijden. Zo zwijgend, dat we inderdaad de hele trainingsperiode lang amper drie woorden met ekaar hebben gewisseld. Toen ik een keer langsliep terwijl hij aan het voetballen was, kreeg ik zin het ook eens te proberen. Waarom ook niet? Zo zou het tenminste zin hebben, meer dan dat geren rond onze flat, waar je elk moment een plens borsjt op je kop kon krijgen. Bovedien speelde Artem noch Julka voetbal. Het was dus een goeie gelegenheid om hen eens een poepie te laten ruiken... én je viel er net zo goed van af.

Een zwijgend knikje ter begroeting, twee, drie oefeningen om op te warmen voor het ‘spel’ met strategisch gedribbel en gestuntel met de bal en veel schijnbewegingen. Zo strategisch en met zoveel schijnbewegingen, alsof Ljosja en ik toen al wisten dat alleen wie zich niet laat opjagen en de dingen in alle rust aanpakt, op tijd zijn doel bereikt. En zelfs nu, zoveel jaren later, nu hij een vooraanstaand chirurg is en ik, behalve dat ik destijds echt ben afgevallen, ook nog journaliste ben geworden en zelfs al een paar keer een televisieprogramma heb gepresenteerd, vragen we ons soms nog wel eens af, wat wilden we eigenlijk met die voetbal?