Deutschland

Mijn leven als tweede bal

Der deutsche Autor Jochen Schmidt sieht in den Randerscheinungen des Fußballspiels grandiose Aphorismen. So zum Beispiel die vom verschmähten Autor als zweitem Ball, der keinen Platz auf dem Spielfeld findet.

Ook ik heb een fase in mijn leven gekend dat ik zelfs de vuilnisemmer binnenhaalde met een bal aan mijn voet. Dat was in de jaren tachtig, toen de Europacup-tegenstanders van mijn favoriete Oost-Berlijnse club geheimzinnige namen hadden als Ruch Chorzów. Ik zat niet op een Waldorf-school, waar ze niet mogen voetballen omdat de kogelvorm heilig is volgens Rudolf Steiner en er dus niet tegen een bal geschopt mocht worden (bij ons in Oost-Berlijn hadden we niet eens Waldorf-salade). Maar ik had wel een vader die dacht dat je van koppen op den duur dom wordt, omdat er te veel hersencellen afsterven. Reden voor hem om mijn voetbalcarrière niet te stimuleren. Zodoende ben ik levenslang toeschouwer gebleven, net als in het theater – waar ik trouwens ook regelmatig het idee heb dat het stuk interessanter zou worden als ze Hamlet van het veld zouden halen en mij lieten invallen.
Omdat ik als kind alleen bij uitzondering mocht opblijven, en dan alleen voor zolang de wedstrijd duurde, hoopte ik altijd op verlenging, het liefst met penalty’s. En dan het bij voorkeur zo’n penaltyserie die nooit eindigde: die van voren af begint nadat iedereen geschoten heeft. Dat was voor mij het echt spannende aan voetbal: of het beide elftallen zou lukken om de in mijn ogen zo kostbare gelijkstand vast te houden.
De strafschoppen waren sowieso het mooiste. Waarom bestond er geen aparte sport ‘penaltyschieten’? Ergens vermoedde ik toen al dat het leven zo niet in elkaar zit. Hoogtepunten moet je met ontberingen verdienen.
Omdat ik ’s avonds maar zelden mocht kijken, was voetbal voor mij eigenlijk vooral een lezend en cijfermatig genoegen. Ik las in voetbalboeken alles over de voorbije toernooien en kende de sterke punten van de grote spelers, die ik nooit had zien voetballen. Wat was Garrincha een genie! (had ik gelezen). Ik bestudeerde de bronnen en woog af wie de beste voetballer was: Cruijff of Pelé (ik had ze geen van beiden ooit zien spelen). Ik was gek op het laatste nummer van het seizoen van mijn voetballijfblad, dat bomvol statistieken stond.
Ik vroeg me ook steeds allerlei dingen af, zoals: waarom gaan alle elf spelers van een elftal niet gewoon de rest van de wedstrijd als een muurtje op de doellijn staan als ze eenmaal voor staan? Dan kan de tegenpartij toch bijna niet meer scoren? Waarom verstopt niemand de bal onder zijn shirt om dan het doel in te draven?
 
Ik vind het nog steeds niet zo belangrijk wie er wint. Ik heb zo veel ongelooflijke overwinningen en nederlagen gezien dat ik het resultaat steeds sneller vergeet en me meer interesseer voor de randverschijnselen. Hoe bij een voetbalwedstrijd ook de tegenstanders te hulp schieten als er iemand gevallen is: ze steken een hand uit en de ander trekt zich op. Hoe de wisselspelers er in hun neonkleurige hesjes bij het warmlopen altijd uitzien als een kleuterklas op weg naar de speeltuin. Hoe een speler die wil invallen de assistent-scheidsrechter altijd de noppen van zijn schoenen moet laten zien, zoals paarden hun hoeven optillen als ze beslagen worden. Hoe de penaltynemer altijd het ventiel van de bal zoekt, een klein gaatje zoals dat waardoor de bakker de marmeladevulling in een Berliner bol spuit.
 
Maar het raakt me het meest wanneer er een tweede bal op het veld terechtkomt. Hoe achteloos die weer buiten de lijnen wordt getrapt! Jarenlang trainen die spelers ervoor om maar één bal te veroveren en in bezit te houden. Ze offeren er hun jeugd en gezondheid voor op en nemen op de koop toe dat ze na hun carrière als bij toverslag in een treurige, zwaarlijvige kerel veranderen. De andere, tweede bal ligt alleen maar in de weg, die hoort er niet bij en moet zo snel mogelijk weer verdwijnen, omdat ze anders niet verder kunnen spelen. Terwijl hij er precies hetzelfde uitziet! Bestaat er een beter beeld voor de onrechtvaardigheid van het leven? Uiteraard identificeer ik me met die overtollige bal. Want hoe vaak overkomt mij als auteur niet hetzelfde? Hoe vaak gebeurt het niet dat de lezers mijn boek links laten liggen, terwijl ze vechten om een ander boek, dat geen letter beter is dan het mijne?