Spanien
Juan Soto Ivars

De bal tegen mij. Bekentenissen van iemand die jeuk krijgt van voetbal

Voetbal vervangt in Spanje de ontbrekende nationale symbolen. Ik ben geen fan van de sport, heb er ook geen hekel aan, maar begrijp mijn land er wel beter door.

Spanje is een merkwaardig land. Ons volkslied heeft geen tekst en dus veranderen de mensen in patriotten zodra ze in het stadion clubliederen aanheffen. Onze nationale vlag roept in Spanje net zoveel emotie op als een theedoek, en dus zijn Spanjaarden blij dat ze door een shirt van hun elftal aan te trekken, een identiteit krijgen die hun strijdlust opwekt. Maar als we verder kijken dan de sociologie en doordringen in het rijk van het onderbewuste, ontdekken we nog een onbetwistbare kwaliteit van het voetbal: als een Spanjaard in zijn stamkroeg een troep zwetende sporters aanmoedigt, kan hij zich permitteren zijn hoofdzakelijk op zijn zitvlees doorgebrachte leven voort te zetten zonder verteerd te worden door schuldgevoelens.
 
Cultuur versus voetbal

Onlangs wilde ik in een boekhandel het boek van een vriend presenteren. Toen ik dat met zijn uitgever besprak, liep die eerst de sportkalender langs alsof hij een orakel raadpleegde. ‘Willen jullie dat vrijdag om zeven uur doen? Onmogelijk, dan speelt Celta Vigo tegen Betis Sevilla.’

De Spaanse cultuur staat wankel op haar bleke, slappe benen, dus is het niet meer dan normaal dat een uitgever de schrik om het hart slaat bij het idee dat hij met de gespierde billen van voetballers moeten wedijveren om de aandacht van het publiek. Dat zal de verklaring zijn voor de hypnotiserende fascinatie die voetbal op schrijvers uitoefent, mensen die meestal liever met een glas wijn achter hun schrijftafel zitten dan dat ze achter een bal op een grasmat in een stadion aandraven. De afgelopen jaren heb ik de meest briljante geesten van mijn generatie ten onder zien gaan aan de voetbalwaanzin.

Ikzelf heb, zolang ik me kan herinneren, geprobeerd me voor de sport te interesseren, maar al mijn pogingen waren lachwekkend en liepen uit op een jammerlijke mislukking. Na de glorierijke heldendaad van Spanje tegen Nederland tijdens de finale in Zuid-Afrika, toen het Spaanse elftal voor het eerst wereldkampioen werd, sprong ik om uiting te geven aan mijn blijdschap in een fontein, waar een van de sproeiers mijn nieren bijna doorboorde. Een andere keer nodigde een vriend mij uit om een voetbalwedstrijd bij te wonen. Toen een van de elftallen een doelpunt maakte, sprong ik op van blijdschap – maar ik had niet door dat we in het vak van de meest fanatieke supporters van de tegenpartij zaten. En dat is niet alles: jaren eerder – ik zat nog op de middelbare school – waren er twee kampen die even diametraal tegenover elkaar stonden als de ideologische stromingen in ons parlement. Aan de ene kant had je de fans van Barça, aan de andere kant die van Real Madrid. Ik was zo’n jongen die er graag bij wilde horen en dus deed ik, zodra ik witte shirts om mij heen ontdekte, alsof ik een groot bewonderaar was van Santiago Bernabeu, maar hief ik het volkslied van Catalonië, Els segadors, aan als ik dacht dat de mensen met wie ik omging culés, fans van Barça, waren. Toen mijn waarde klasgenoten erachter kwamen dat ik fan van Madrid noch Barcelona was, maar een afvallige van beide religies, scheelde het weinig of ze hadden me op de brandstapel gezet. Spanjaarden zijn uiterst consequente mensen. Je kunt hier geen grotere zonde begaan dan van voetbalclub te wisselen (of van ideologie).