Deutschland
Philipp Reinartz

Onze vijand, mijn vriend

Oft verhasst und selten beachtet: Philipp Reinartz räumt dem Schiedsrichter endlich einen Platz im deutschen Fußball und in seinen ganz persönlichen Erinnerungen ein.

Ik rende door de trein. Hij moest ergens zijn, ik had me niet vergist op het perron. Vóór Kaiserslautern moest ik hem vinden, zoveel was zeker. Waar Kaiserslautern lag, wist ik niet.
 
Kon dit eigenlijk wel? Ik was een Freiburger, hij was onze vijand, en om in Freiburg vijanden te maken, moest je het behoorlijk bont maken. Het was eigenlijk een beetje belachelijk geweest toen ze twee jaar eerder de scheidsrechtersuitgang van het stadion blokkeerden en ‘Hier met die scheids!’ scandeerden. Maar hij had ons nu eenmaal verraden, twee rode kaarten en een strafschop, uiteindelijk verloren we thuis met 2–4 tegen Keulen. Tegen Markus Merk.
 
Destijds was ik niet in het stadion geweest, ik kende de beelden van het seizoensoverzicht op video. Nu was ik er wel bij. Met shirt, sjaal en vlag was ik na de wedstrijd opgehaald, daarna meteen door naar het station voor een zomervakantie met ons gezin. We hadden weer tegen Keulen gespeeld, weer waren de beslissende doelpunten van Toni Polster ons om de oren gevlogen. En weer heette de scheidsrechter Markus Merk.
 
Maar mijn fascinatie voor voetbal kende in die tijd geen goed en kwaad. Voor mij als tienjarige was voetbal alles, voetbal was heilig. En iedereen was een held. Een reserve-aanvaller zonder groot talent, over wiens invalbeurt je tegenwoordig je vrienden vileine WhatsAppjes zou sturen – een held. Een speler die zeg maar rugnummer 19 droeg en die je alleen uit het teamoverzicht van het clubmagazine kende – een held. Zelfs de commentator van de video met het seizoensoverzicht; hij kon het nauwelijks geloven, toen ik jaren later als stagiair op zijn redactie uit pure eerbied bijna voor hem op de knieën viel. Daarom was Markus Merk, de man die ik zeker weten net op het perron had gezien, weliswaar een vijand, maar hij hoorde ook bij het voetbal, en dus was hij magisch.
 
Nu liet ik me niet meer tegenhouden, een coupé met een dichtgetrokken gordijn, wat maakte het uit, ik moest de scheidsrechter vinden, in Kaiserslautern zou het te laat zijn.
 
Toen stond ik voor hem. Met zijn mouwen opgestroopt zat hij daar gewoon, heel gezellig, met alleen zijn beide assistenten, die toentertijd nog grensrechter heetten. Ik gaf hem pen en papier, en bleef op een eerbiedige afstand, zoals een paar maanden later bij de eerste schuifelnummers op het onderbouwfeest. ‘Ga toch zitten,’ zei de man, van wie ik eigenlijk niets wist. Een tandarts uit Kaiserslautern, dat stond in de Kicker, maar was hij een mens?
 
Een hele tijd luisterde ik alleen en hield me rustig, maar op een gegeven ogenblik begon ik erover. Ja, na die wedstrijd tegen Keulen was het heftig geweest, dreigtelefoontjes, bovendien kreeg je op het veld al genoeg over je heen. Wat de voetballers dan zeiden, wilde ik weten, hopend op grove scheldwoorden; naar het scheen had Altin Rraklli hem in de wedstrijd tegen Keulen klootzak genoemd. ‘Sommige voetballers vergeten zich,’ was alles wat Merk antwoordde. Ik kende die uitdrukking niet; wat hij bedoelde, was me een raadsel – sommige voetballers vergeten zich – maar het bleef voor mij altijd de uiting van de ergste woede en agressie.
 
Op een gegeven moment kwam mijn broertje aangeslopen, daarna mijn zus. We bleven zitten tot we moesten overstappen, vermoedelijk nog voor Kaiserslautern. Merk hielp mijn moeder met de koffers. Of hij een keertje naar me kon zwaaien, vroeg ik, en ik legde hem heel precies uit waar mijn vaste staanplaats op de noordtribune was. Dat was een beetje lastig, zei Merk, ‘maar geef je adres maar.’
 
Lange tijd kon ik er niemand over vertellen, hij was per slot van rekening de vijand. Over de gebeurtenis in de trein misschien nog wel, maar over de ansichtkaarten? Hartelijke groeten vanaf een Champions Leaguewedstrijd in Turijn. In Madrid. In Londen. Een fifa-scheidsrechter was opeens mijn penvriend. Wanneer hij later weer eens in Freiburg floot en voor de wedstrijd een ronde door het stadion maakte, terwijl de hele tribune ‘Merk is een hondenlul’ schreeuwde, hield ik me stil en zwaaide naar hem, maar hij zwaaide nooit terug.