Sharing Delen is het nieuwe hebben

Een appel delen
Een appel delen | © w.r.wagner / pixelio.de

Steeds meer mensen kiezen bewust voor gemeenschappelijk consumeren. Via verschillende platforms worden allerlei dingen gedeeld: gereedschap, boeken, lofts, eten of auto’s. Enerzijds is dit een sociale gedachte, anderzijds is het big business.

Je auto staat meestal ongebruikt in de garage, als je op vakantie bent staat je huis leeg, je bureau is de helft van de tijd onbezet en sinds je dat boekenrek ineenzette, ligt je boormachine stof te vergaren in de kelder. Zonde, eigenlijk. Net hier steekt de nieuwe trend van “sharing” de kop op: sharing wil iets doen aan de waanzin van het bezitten. Moet men echt alles zelf kopen, ook dingen die men maar zelden nodig heeft? Delen is het nieuwe hebben, zo luidt het veelzeggende motto dat vooral in verstedelijkte gebieden steeds vanzelfsprekender wordt. Vooral de jongere generatie staat ervoor open. Bezit houdt immers ook verplichtingen in: men moet dingen verzorgen, ergens bewaren en herstellen. De nieuwe waarden, waar de sharing-trend deel van uitmaakt, heten mobiliteit, spontaniteit en duurzaamheid. Een economie waarin mensen dingen delen laat toe dat minder zaken geproduceerd worden, en dus dat er minder dingen worden weggegooid.

Wilt u deze boormachine delen?

Een van de pioniers van de “sharing economy” is Harvard-professor Martin Weitzman, die al in de jaren 1980 stelde dat de welvaart van iedereen kon toenemen als we meer gingen delen. In 2010 riep trendonderzoekster Rachel Botsman in haar boek What's mine is yours op tot gemeenschappelijke consumptie. Sinds Facebook, Twitter, Flickr en SoundCloud is de cultuur van het delen een deel van onze samenleving geworden. We delen foto‘s, informatie, nieuws en muziek op sociale netwerken – vaak zonder dat we daar echt bij stilstaan. Kunnen we dat ook toepassen op echte voorwerpen? De tijd lijkt gunstig – ook al bestaat het idee al langer. Al meer dan 20 jaar wordt er in Duitsland op een georganiseerde manier aan autodelen en huisruil gedaan. Toch wordt het nu pas een echte trend.

Bij online communities zoals Frents of diensten zoals Leihdirwas kan men tijdelijk een boormachine, fotolenzen of boeken lenen – gratis of tegen betaling. Via BlaBlaCar kun je een plaatsje vinden om met iemand mee te rijden in de wagen. Bij Autonetzer of Tamyca kun je je eigen voertuig aanbieden of dat van iemand anders huren. Er worden parkeerplaatsen gedeeld, opslagruimte, werkplekken en tuinen. Via Couchsurfing kun je gratis een sofa of een vrij bed ter beschikking stellen of zelf bij iemand anders gaan overnachten. Dankzij Join My Meal kun je iemand uitnodigen om te eten of zelf bij iemand anders aan tafel aanschuiven, en bij Kleiderkreisel worden kleren die al te lang in de kast hangen verkocht, geruild of weggegeven. Bijna dagelijks komen er nieuwe platforms bij, die mensen zin moeten geven om te delen.

Voedsel wordt gratis weggegeven

Zo begon Valentin Thurn met het platform Foodsharing, waarop zowel privépersonen als handelaars hun teveel aan levensmiddelen aan anderen kunnen wegschenken. “Het is ook een sociaal project,” zegt hij. “Mensen in dezelfde buurt leren elkaar beter kennen.” De sharing-cultuur kan dus ook het anonieme naast-elkaar-leven doorbreken. Thurn regisseerde de documentaire film Taste the Waste, over voedselverspilling. Hij startte met Foodsharing als reactie op de vele aanvragen van mensen die iets wilden veranderen. Het voedsel wordt gratis weggegeven, niet geruild. Dat was voor hem als initiatiefnemer belangrijk. De boodschap luidt: “Eten heeft een waarde die veel verder gaat dan geld. De beloning ligt in de glimlach van de ander.” Het platform wordt enkel gefinancierd via giften, ledenbijdragen en openbare fondsen. De medewerkers zijn bijna uitsluitend vrijwilligers. Zelfs het startkapitaal werd vanuit een sharing-gedachte verzameld: het geld werd bijeengebracht via crowdfunding. De kosten voor een goed idee worden gedeeld.

Gedeelde bedden, gedeelde stoelen, gedeelde tafels

Toch gaat het er niet altijd zo on-commercieel aan toe als in dit voorbeeld. Sharing kan ook big business zijn, met veel potentieel. “De professionalisering van de ruilhandel leidt tot een eigen economische sector,” zegt Karin Frick, medeauteur van de studie Sharity: Die Zukunft des Teilens (Sharity: de toekomst van het delen, GDI – Gottlieb Duttweiler Institut, 2013). Carsharing en homesharing zijn de snelst groeiende segmenten waarbij betaald moet worden. Een dienst als Airbnb, die in 2008 in de VS online ging, en de Duitse platforms 9flats en Wimdu zijn een onmiskenbare concurrentie geworden voor hotels. Vaak duiken in de “shareconomy” kleine start-ups op. Maar ook grote ondernemingen doen al mee. Autobouwer BMW heeft bijvoorbeeld zijn eigen carsharing-onderneming DriveNow opgericht, en Daimler kent het vergelijkbare Car2Go. Dat laatste werd overigens niet achter bedrijfsmuren ontwikkeld, maar in een zogeheten co-working office – een bureau dus, waarin werkplekken en infrastructuur gedeeld worden.

De trend om te “sharen” maakt deel uit van een levensstijl die draait rond een intelligente manier van niet-bezitten, een idee dat steeds meer aanhangers vindt. Bezit wordt beschouwd als ballast, niet als een bevestiging van het eigen welslagen. Men profileert zich niet meer door een bepaalde auto te hebben, maar juist door er geen te hebben. Bij de jonge generatie van Digital Natives is delen bijzonder “smart” en “cool”, aldus de wetenschapster van het GDI in haar Sharity-studie. Volgens de resultaten van de enquête gaapt er nog een wijde kloof tussen hen die het delen in theorie iets goeds vinden en hen die daadwerkelijk delen. Anders dan gedeelde foto’s, ervaringen of muziek, kan een gedeelde boormachine natuurlijk ook verslijten.