De Van Nellefabriek
Een geslaagde symbiose van functie en esthetiek

Beton, staal en veel glas - ontworpen als ideaal gebouw voor de "nieuwe mens", heeft de Van Nellefabriek veel gemeen met het Bauhaus in Dessau. Maar niet alleen de vooruitgang, ook controlemethoden spelden een rol bij het ontwerp.

Von Cornelia Ganitta

“Het einddoel van alle creatieve activiteit is het bouwwerk!” Zo luidt de eerste zin van het door Walter Gropius geschreven Bauhaus-manifest. Een zin die duidelijk maakt dat de beeldende kunsten zich begin 20ste eeuw ondergeschikt dienden te maken aan de architectuur. Twee mijlpalen van deze filosofie zijn het door Gropius zelf ontworpen Bauhaus in Dessau (1925-26) en de Van Nellefabriek in Rotterdam, een ‘kathedraal van het Nieuwe Bouwen’ die tussen 1925 en 1931 werd gebouwd. Beide gebouwen staan op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Beide gebouwen zijn van beton, staal en veel glas, zeer functioneel en zonder noodzaak om het mooie nog met schoonheid te decoreren. Juist daarom zijn beide gebouwen immers paradevoorbeelden van de geslaagde symbiose van functie en esthetiek ondanks het principe ‘form follows function’.

  • Weiße Van-Nelle-Fabrik © Goethe Institut. Foto: Cornelia Ganitta

  • Treppe Van-Nelle-Fabrik Cornelia Ganitta © Goethe-Institut

  • Tabak Schild © Goethe-Institut. Foto: Cornelia Ganitta

  • Wasserhähne © Goethe-Institut. Foto: Cornelia Ganitta

  • Van-Nelle-Fabrik © Goethe Institut. Foto: Cornelia Ganitta

  • Weiße Van-Nelle-Fabrik © Goethe Institut. Foto: Cornelia Ganitta

  • Weiße Van-Nelle-Fabrik © Goethe Institut. Foto: Cornelia Ganitta

Lichtreclame als handelsmerk

Kees van der Leeuw, een van de drie Van Nelle-directeuren, had ook privé contact met Gropius. Net als de Bauhaus-directeur wilde hij het ideale gebouw voor de ‘nieuwe mens’ maken. ‘Licht, lucht en ruimte’ luidde het credo van het Nieuwe Bouwen. Toegepast op Van Nelle: weg met de ‘hardware’, de grauwe, smerige fabrieksbinnenplaatsen, en op naar de ‘software’, een lichte omgeving waarin de mens zich goed moest voelen en werken prettig moest zijn. De ‘daylight factory’ in Amerika stond model voor de nieuwe Van Nellefabriek die Van der Leeuw liet ontwerpen. Uitvoerend architect was Leendert van der Vlugt van architectenbureau Brinkman & Van der Vlugt, die later ook verantwoordelijk was voor de bouw van de directeursvilla’s aan het Museumpark in Rotterdam. Hij werd terzijde gestaan door industrieel ontwerper Willem Hendrik Gispen (bij de inrichting met meubelen en lampen) en Mart Stam. Tussen 1926 en 1928 maakte de pas 27-jarige Stam de ontwerptekeningen. In Berlijn was hij in 1922 in contact gekomen met de Russische avant-garde. Tijdens zijn eerste jaar bij Brinkman & Van der Vlugt organiseerde hij voor de Russische kunstenaar El Lissitzky en zijn vrouw een architectuurreis naar Nederland, waarbij ze ook De Stijl-architecten Jacobus Oud, Gerrit Rietveld en Cornelis van Eesteren bezochten. Een uitvloeisel van deze contacten is het van verre zichtbare bedrijfslogo op het dak van de fabriek, het gevolg van Mart Stams fascinatie voor het Russische constructivisme.

Maar eigenlijk is de lichtreclame niet nodig om de aandacht te vestigen op het bedrijf. Volgens een Nederlandse enquête kent ook nu nog 90 procent van de Nederlanders Van Nelle, hoewel de productie al lang geleden is gestaakt. Van Nelle begon in 1782 als kleine lokale tabakswinkel en groeide door de eeuwen heen uit tot een van de grootste koffie-, thee- en tabaksfabrikanten ter wereld met wel 2000 werknemers. Toen de fabriek, die inmiddels was overgenomen door de familie Van der Leeuw, aan de centraal gelegen Leuvehaven uit haar voegen dreigde te barsten, werd besloten een nieuwe fabriek te bouwen. Om logistieke redenen (nabijheid van kanaal en spoorverbinding) moest deze iets buiten de stad komen te liggen. Daar stonden de ingenieurs voor de enorme uitdaging om in het moerasland een stevige fundering te leggen. Hiervoor werden duizenden meer dan twintig meter lange palen van gewapend beton ter plekke gegoten en met behulp van de uit de Verenigde Staten geïmporteerde, door stoom aangedreven Thomson-heimachine in de grond geheid. Ook de paddenstoelvormige betonnen kolommen, die het skelet van het industriële bouwwerk vormen, waren tot dan toe in Europa onbekend. Ze vormen de draagconstructie die dwarsbalken in het plafond overbodig maakt. Voor een optimale lichtinval zorgen vliesgevels aan beide zijden van het 17 meter brede gebouw. Met uitzondering van het ronde glazen theehuis, dat op het dak van de fabriek werd geplaatst, bestaat het hele gebouw – conform de uitgangspunten van het Nieuwe Bouwen – uit rechte lijnen.

Vooruitgang in combinatie met controlemethoden

Aan hygiëne, orde en efficiëntie werd veel waarde gehecht. In overeenstemming met moderne werkwijzen waren er doucheruimtes en wastafels, die met de tabak vanuit de Verenigde Staten werden aangevoerd. Trappenhuizen voor mannen en vrouwen waren strikt gescheiden en er waren twee kantines, één voor mannen en één voor vrouwen, om al het afleidende geflirt te voorkomen. Vanaf een galerij in het directiegebouw konden de op hun bestelling wachtende bezoekers de typende vrouwen in de schrijfzaal aan het werk zien. Praktische bijkomstigheid: niet alleen de bezoekers keken omlaag, ook de directeuren konden van hieruit een oogje op de medewerkers houden. Ten slotte diende de gebogen directievleugel zelf als controlepost. Hiervandaan konden de directeuren van de drie productlijnen (tabak, koffie, thee) zien wat er op straat gebeurde en of de verbindende transportbruggen tussen de productie (waar de grondstoffen van overzee werden verwerkt) en de transportafdeling (waar ze werden gedistribueerd) efficiënt werden benut. De bruggen fungeerden ook als ‘testlaboratoria’ voor de keurmeesters. Zo kon de koffietester zijn monsters hier letterlijk goed ruiken, wat bij de stank van de tabaksafdeling nauwelijks mogelijk was.

Tot 1995 was de fabriek in bedrijf. Daarna was lang onduidelijk wat er met de 60.000 vierkante meter moest gebeuren. Na de renovatie van het gebouwencomplex eind jaren negentig is de fabriek nu een hotspot van de creatieve sector, waar zich ateliers, reclame- en filmbedrijven hebben gevestigd en evenementen en beurzen, zoals Art Rotterdam, worden georganiseerd. Het tijdloze gebouw dient nog steeds als voorbeeld voor architectuurstudenten uit de hele wereld. Sinds 1986 is het een rijksmonument. Godzijdank, want anders zou dit architectonische hoogtepunt, dat Le Corbusier kort voor de voltooiing in 1931 “het mooiste schouwspel van de moderne tijd” noemde, mogelijk onherroepelijk verloren zijn gegaan.
 

Rondleiding

De Van Nellefabriek is uitsluitend in het kader van een rondleiding te bezoeken. Een combitour naar de “parels van het Nieuwe Bouwen” (Huis Sonneveld, Chabot Museum en een rondleiding door de Van Nellefabriek) kan tijdens het seizoen ieder weekend t/m 1 september worden geboekt. Een pendelbus tussen het Museumpark en de Van Nellefabriek is daarbij inbegrepen. Prijs: 20 euro. Meer informatie via de ticketshop van het Chabot Museum.
 

Top