Snelle toegang:

Direct naar inhoud gaan (Alt 1) Direct naar hoofdnavigatie gaan (Alt 2)

Literatuur
Goethe, Shakespeare, Reve: hoe parlementsleden over literatuur spreken

Gekleurde illustratie van Johann Wolfgang von Goethe
© Goethe-Institut

In een studie van de Universiteit van Oldenburg zijn voor het eerst parlementaire debatten in Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië systematisch met digitale middelen doorzocht om te zien hoe vaak de namen van schrijvers worden genoemd. De resultaten van dit promotieproject geven inzicht in welke politici graag welke schrijvers citeren en op welke manier literaire verwijzingen in Europese buurlanden worden gebruikt in de politieke debatten.

Door Lina L. Blank

Politiek en literatuur zijn met elkaar verweven. Regeringen kunnen de literatuurbeoefening actief bevorderen, bijvoorbeeld door subsidies, culturele programma's of de vaste boekenprijs. Politieke besluiten kunnen echter ook belemmerend werken. Denk bijvoorbeeld aan censuur of een ongunstig belastingbeleid (vgl. Dorleijn et al. 2007: xv).

Maar wat vinden politici eigenlijk van literatuur? Op wat voor ideeën over 'goede' en 'subsidiabele' literatuur baseren zij hun politieke besluiten?  Als we kijken hoe schrijvers in het Nederlandse, Duitse en Britse parlement worden aangehaald, levert dat verrassende eerste inzichten op.

Literaire verwijzingen: mentions als indicatoren

Bij de analyse van de parlementaire debatten werd gekozen voor een methode die is ontwikkeld door de Zweedse mediaonderzoeker Karl-Erik Rosengren. In de jaren tachtig van de vorige eeuw stelde die voor vermeldingen van schrijvers in de literatuurkritiek – zogenoemde mentions – te analyseren als indicatoren voor het gemeenschappelijke literaire referentiekader van een samenleving (vgl. Rosengren 1985:157). Daarbij maakt het niet uit of er positief of negatief over de betreffende auteurs wordt gesproken. Wat voor het maatschappelijk referentiekader telt, is wie er hoe vaak wordt genoemd.

Deze mentions-techniek werd in het kader van het onderzoeksproject Literaturkonzepte der juristischen und politischen Eliten in den Niederlanden im 20. Jahrhundert gedigitaliseerd en uitgebreid tot een europabreed vergelijkingsproject. De aanpak is gebaseerd op de aanname dat politici verwijzingen naar auteurs (bewust of onbewust) om twee redenen gebruiken: ten eerste om te laten zien dat ze kennis hebben van literatuur (cultureel kapitaal, vgl. Bourdieu 2001: 362) en ten tweede om met deze kennis hun politieke doelen retorisch en symbolisch kracht bij te zetten (vgl. Dörner/Vogt 2013: 229).

De studie bouwt voort op de literatuursociologische theorieën van Pierre Bourdieu, waarin literatuur wordt gezien als het resultaat van sociale en materiële productieprocessen (Bourdieu 2001). Dit theoretische model wordt gecombineerd met digitale methoden. Een speciaal ontwikkeld programma doorzoekt automatisch parlementaire debatten naar het noemen van schrijvers. De basis daarvoor is het corpus ParlSpeechV2 met ongeveer 2,9 miljoen redevoeringen uit de Tweede Kamer, de Bundestag en het House of Commons tussen 1994 en 2018 – alles bij elkaar meer dan 520 miljoen woorden (vgl. Rauh/Schwalbach 2020).

In het pilotproject werden de redevoeringen doorzocht naar de namen van 250 internationale en 100 Nederlandse schrijvers, afkomstig uit de index van Harold Blooms The Western Canon (Bloom 1994) en de Nederlandse Canonenquête 2022 (Van Deinsen et al. 2022: 31). Bij de keuze van de schrijvers lag de nadruk op Nederlandse en gecanoniseerde schrijvers; het gaat hier om een verkennende, niet representatieve selectie.

Wie wordt geciteerd, en wie niet?

Het voornaamste resultaat van de gekozen zoekopdracht is even duidelijk als veelzeggend: in Nederlandse parlementaire debatten werden tussen 1994 en 2018 veel minder mentions aangetroffen dan in Duitsland en Groot-Brittannië. Slechts 428 vermeldingen van schrijvers werden er in de Tweede Kamer geteld, tegenover 870 in de Bundestag en maar liefst 2.139 in het Britse Lagerhuis.

Niet alleen de totale aantallen verschillen tussen de landen, maar ook het profiel van de genoemde schrijvers. De vijf meest genoemde schrijvers in de Bundestag zijn uitsluitend Duitstalig. Goethe voert de lijst aan met 263 vermeldingen, gevolgd door Brecht (132), Schiller (72), Thomas Mann (47) en Heine (39). En dat terwijl de Duitse Bundestag eigenlijk alleen als controlegroep voor de Nederlandse Tweede Kamer werd gebruikt. In de index van de canon van Bloom staan in totaal slechts veertien Duitstalige schrijvers, dus er was nauwelijks naar Duitstalige auteurs gezocht.

Iets soortgelijks zien we in het House of Commons, alleen ligt daar de nadruk op Engelstalige schrijvers. Op de eerste plaats staat, weinig verrassend, de Engelse klassieker Shakespeare met 630 vermeldingen, gevolgd door Dickens (226), Wilde (101), Rushdie (69) en Carroll (60).

In Nederland was daarentegen de meest genoemde schrijver de Duitstalige Kafka met slechts 54 vermeldingen. Bij het grootste deel daarvan ging het dan ook nog om het spreekwoordelijke begrip kafkaësk en niet om de schrijver zelf. Pas op de tweede plaats volgt de Nederlander Gerard Reve (47). Op plaats drie vinden we Shakespeare (31) gevolgd door Plato (17) en tot slot de Nederlandse klassieker Multatuli (14).

Scepsis tegenover literatuur?

De resultaten ondersteunen het bestaande vermoeden dat de Nederlandse elite een zekere scepsis heeft ten aanzien van moderne Nederlandse literatuur, in elk geval tot in de jaren zestig van de vorige eeuw (vgl. Grüttemeier 2016: 178; Grüttemeier 2018: 79). Het gebruik van literaire verwijzingen in de politieke arena lijkt in het Nederlandse parlement minder ingeburgerd dan in Duitsland of Groot-Brittannië. De cijfers lijken bovendien te suggereren dat die scepsis ook nu nog bestaat en niet alleen voor Nederlandse literatuur geldt (vgl. Dirkx 1995: 78), maar voor literatuur in het algemeen.

Dit onderzoek is een relatief kleine pilotstudie, die een aantal veelbelovende inzichten oplevert. De waargenomen tendensen moeten worden gezien als voorzichtige indicaties die uitnodigen tot verder nadenken. Ze moeten niet leiden tot het bevestigen van simplistische stereotypen, maar een aanzet geven tot verdiepend en uitgebreider onderzoek om de resultaten in een breder en gedifferentieerder kader te toetsen.

Literaire status en strategische verwijzingen

De kwantitatieve waarnemingen werden ondersteund door een gerichte inhoudelijke analyse van de verwijzingen naar Goethe, Shakespeare en Reve. In de Bundestag en het House of Commons werden niet alleen meer mentions gebruikt dan in de Tweede Kamer; er werd ook vaker en uitgebreider geciteerd of er werd een sterker verband gelegd met de literaire inhoud. De literaire status van de verwijzingen naar schrijvers werd door politici in Duitsland en Groot-Brittannië veel meer benadrukt dan in Nederland.

Sterker nog, bij de verwijzingen naar Gerard Reve werd de literaire status van deze schrijver meermaals überhaupt niet genoemd. In plaats daarvan ligt de nadruk telkens op de eis van 'absolute' vrijheid van meningsuiting. Reve staat dan symbool voor het beroemde Ezelproces in de jaren zestig waarin hij werd aangeklaagd wegens godslastering en werd vrijgesproken (vgl. Blank 2025: 100).  

Vooruitzicht: gelegenheid tot reflectie?

In het kader van het onderzoeksproject werd niet alleen aan de hand van voorbeelden onderzocht hoe er in Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië over literatuur wordt gesproken. Een ander belangrijk resultaat is de publicatie van de onderzoeksresultaten als een zogenoemd mentions-lexicon (binnenkort beschikbaar als open source). Dit lexicon bevat alle redevoeringen waarin een auteur werd genoemd. Het vormt een uitstekend hulpmiddel om nationale verschillen en overeenkomsten in het gebruik van literaire verwijzingen en de literaire status daarvan te bestuderen en te bespreken. 
 
Literatuur

Blank, Lina L. 2025 „The Resonance of Literary-Related Court Cases in Dutch Parliamentary Debates. Key Moments and Strategic Referencing“. In Law and Literature in Europe and Beyond, herausgegeben von Klaus Stierstorfer, Literatur und Recht 15. 91–105. Berlin: J.B. Metzler.

Bloom, Harold. 1994. The Western Canon: The Books and School of the Ages. New York, NY: Riverhead Books.

Bourdieu, Pierre. 2001. Die Regeln der Kunst: Genese und Struktur des literarischen Feldes. Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Deinsen, van Lieke, Anthe Sevenants, und Freek van der Velde. 2022. De Nederlandstalige literaire canon(s) anno 2022: Een enquête naar de literaire klassieken: rapportage. Gent: CTB – KANTL.

Dirkx, Paul. 1995. „Describing Literature in Belgium: Some reflections on evolution, domination and dependence“. Dutch Crossing 19 (2): 73–92.

Dorleijn, Gillis J., Ralf Grüttemeier, und Liesbeth Korthals Altes, Hrsg. 2007. The Autonomy of Literature at the Fins de Siècles (1900 and 2000): A Critical Assessment. Leuven: Vantilt.

Grüttemeier, Ralf. 2016. „Nederland en de Nobelprijs voor literatuur 1901–1965“. Nederlandse letterkunde 21 (2): 159–184.

Grüttemeier, Ralf. 2018. „Nederlandse reserves tegenover moderne Nederlandstalige literatuur: het beeld van Multatuli in literatuurgeschiedenissen“. In Multatuli nu: Nieuwe perspectieven op Eduard Douwes Dekker en zijn werk, herausgegeben von Jacqueline Bel, Rick R. Honings, und Jaap Grave, 69–90. Hilversum: Verloren.

Rauh, Christian, und Jan Schwalbach. 2020. „The ParlSpeech V2 data set: Full-text corpora of 6.3 million parliamentary speeches in the key legislative chambers of nine representative democracies“. Harvard Dataverse, V1. Abgerufen von https://doi.org/10.7910/DVN/L4OAKN. Zugegriffen am 02. Juli 2025.

Rosengren, Karl E.  1985. „Time and literary fame“. Poetics: Journal of empirical research on culture, the media and the arts 14: 157–72.

Top