Zelfevaluatie in het onderwijs Hier sta ik - Daar wil ik naar toe

Heb ik dat goed begrepen?
Heb ik dat goed begrepen? | Foto: © Hast du den Flow? - photocase.de

Zelfevaluatie helpt het eigen leerproces actief te sturen. Daarmee is dit een belangrijke stap op weg naar meer autonomie. Wat is ervoor nodig om hiervan een succes te maken? Welke vormen zijn er? En hoe beïnvloedt zelfevaluatie de rol van de docenten?

Als leerlingen zichzelf evalueren, dan nemen ze taken over die docenten gewoonlijk als een van hun kerncompetenties zien. Anderzijds verwachten leerlingen normaal gesproken dat ze gecorrigeerd worden en feedback krijgen over wat ze goed of minder goed kunnen. Leren is echter geen passief proces. Mensen leren niet simpelweg een op een wat gepresenteerd wordt: de kennis moet actief opgenomen en zich eigen gemaakt worden. Of ze nu een les bezoeken of niet, het is voor alle leerlingen belangrijk dat ze hun leerinspanning tot een zekere graad zelf kunnen sturen. Hiervoor moeten ze weten of ze hun doelen bereikt hebben. Deze doelen kunnen van buiten komen – van een opgave, een cursus of een toets – maar leerlingen kunnen deze doelen ook zelf zetten.

DUIDELIJKE criteria helpen bij de zelfinschatting

Zelfevaluatie helpt leerlingen erbij hun sterke en zwakke punten te herkennen en hun eigen leergedrag dienovereenkomstig aan te passen. Met lijsten met ik-kan-beschrijvingen, die onder andere in de checklists van het taalportfolio gebruikt worden, kunnen de leerlingen hun taalniveau zelfstandig inschatten. Door de naar vaardigheden geclassificeerde ik-kan-beschrijvingen kan bijvoorbeeld zichtbaar gemaakt worden, dat een leerling in het lezen al een hoger niveau dan in andere vaardigheden bereikt heeft.
Veel leerboeken hebben dit principe overgenomen en presenteren aan het einde van een les ik-kan-formuleringen die ook betrekking hebben op de leerdoelen van de voorafgaande les. De leerlingen kruisen aan wat ze goed kunnen, wat ze nog verbeteren willen of waar ze hulp nodig hebben.

Evaluatiecriteria kunnen ook voor afzonderlijke leertaken worden opgesteld, bijvoorbeeld voor een presentatie, een poster of een tekst. Het dubbele voordeel van dergelijke criteria wordt duidelijk bij het voorbereiden op toetsen. Als de leerlingen de criteria voor een schrijfopdracht kennen, dan kunnen ze ook zelfstandig oefenen wat ze nog niet zo goed kunnen. In de toets zelf, als de leerlingen natuurlijk geen gebruik kunnen maken van de hulp van de docent, dienen ze als controlemechanisme. De leerlingen letten bijvoorbeeld op bepaalde fouten of formuleringen.

Maar vaak zijn dergelijke criteria niet vanzelfsprekend. Het is de taak van de docenten om aan de hand van voorbeelden, voorbeeldteksten en voorbeeldoplossingen mogelijkheden voor het toepassen van deze criteria begrijpelijk te maken. Dit helpt de leerlingen te herkennen waarop het aan komt en verbetert de kwaliteit en nauwkeurigheid van hun eigen beoordeling.

Voorgeschreven criteria kunnen ook beperkend zijn als ze niet de aspecten afdekken die voor de individuele leerlingen juist van belang zijn. De stap naar zelf geformuleerde criteria lukt als de leerlingen weten, wat ze evalueren kunnen, en hoe ze dit moeten doen. Taalonderzoeker Karin Kleppin stelt daarom als eerste oefening een zelfevaluatie op meta-niveau voor. De leerlingen krijgen bij een taak enkele criteria. In de eerste stap kruisen ze alleen aan of ze geloven een bepaald criterium zelf te kunnen beoordelen. Na deze individuele zelfinschatting van de leerlingen wordt met de leergroep besproken of en hoe een bepaald criterium zelf gecontroleerd kan worden. Het criterium “Ik heb de tekst achteraf op mijn typische fouten gecontroleerd” is veel concreter dan het criterium “ik heb geen fouten gemaakt.” Dit bevat een handelingsinstructie en houdt rekening met individuele problemen.

Traditioneel middel voor zelfevaluatie: notitieblaadjes Traditioneel middel voor zelfevaluatie: notitieblaadjes | Foto: © Willing-Holtz – plainpicture

Individuele vooruitgang in het leren zichtbaar maken

Een belangrijke functie van zelfevaluatie is, dat leerlingen zich van hun eigen vooruitgang bewust worden. Zien dat je verder komt houdt je gemotiveerd. Dit geldt vooral voor groepen met grote niveauverschillen. Hetzelfde geldt voor leerlingen op hogere niveaus, die hun vooruitgang niet meer zo gemakkelijk kunnen waarnemen. De veelzijdige mogelijkheden zijn onder andere:
  • De leerlingen schrijven regelmatig gedurende enkele minuten korte teksten over onderwerpen die voor hen gemakkelijk zijn. Aan het einde telt elke leerling individueel de woorden en voert het cijfer in een eenvoudige grafiek in. Gedurende meerdere dagen of weken wordt zichtbaar hoe het schrijfproces vloeiender wordt en de woorden sneller op te roepen zijn. Van tijd tot tijd kunnen andere evaluatiemethoden worden toegevoegd om andere aspecten zoals correctheid of begrijpelijkheid te beoordelen.
  • Een leertaak die kortgeleden nog moeilijk was, wordt nog eens uitgevoerd. Vervolgens vergelijkt elke leerling de beide resultaten van de taak en noteert twee tot drie punten, die bij de nieuwe poging beter gelukt zijn dan bij de eerste poging.
  • De leerlingen verzamelen in een portfolio leerproducten zoals in de les geschreven e-mails, samenvattingen, voorbeelddialogen en audio-opnames. Hierbij noteren ze in welke mate deze producten hun leertraject representeren.

Zelfevaluatie heeft effect op het onderwijs

Als leerlingen in het kader van het onderwijs moeten evalueren, wat ze goed of nog niet zo goed kunnen, dan mogen ze ook verwachten dat optimaal op hun individuele behoeften wordt ingegaan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat ze individuele of tenminste op bepaalde behoeften toegesneden tips krijgen of bij sommige activiteiten keuzemogelijkheden hebben. Het op scenario’s gebaseerde onderwijsconcept Fide, dat voor het integratiebereik tot niveau B1 ontwikkeld is, bewijst hoe met behulp van portfoliowerk en zelfevaluatie recht wordt gedaan aan de behoeften van de deelnemers.

Omdat de leerlingen de beoordelingscriteria moeten kunnen begrijpen om zichzelf te kunnen evalueren, zorgt zelfevaluatie voor meer transparantie. Ook beoordelingen door de docenten worden zo begrijpelijker. Bovendien zijn leerdoelen gemakkelijker te bereiken als deze door criteria in afzonderlijke componenten worden opgesplitst. Dit maakt leersucces beter planbaar en bevordert de motivatie.

Niet in de laatste plaats bereidt zelfevaluatie leerlingen ook voor op de tijd na de school of het voltooien van de cursus. Leerlingen die in staat zijn om hun vorderingen met zelfgekozen methodes te controleren en hun leerprocessen indien nodig aan te passen, zijn goed voorbereid op een leven lang verder leren.

Zelfevaluatie moet de externe evaluatie door docenten of externe tekst niet verdringen of vervangen, maar moet deze aanvullen. Dit principe volgt de niveautoets Dialang die een zelfevaluatie met toetsvragen combineert. Feedback en bevestiging van buitenaf zijn belangrijk. Samen met de zelfevaluatie zorgen ze voor een evenwichtig beeld. Op deze basis kunnen docenten en leerlingen samen doelen en leertrajecten op elkaar afstemmen.