EUROPA-LIJST: Op zoek naar een Europese cultuur

Maartje Wortel

Maartje Wortel © Michiel van Nieuwkerk

Maartje Wortel © Michiel van Nieuwkerk

In het midden

De straten zijn rumoerig op dit uur, de mensen gaan uit, ze heffen hun glas op het leven, een nieuw kind, de gezondheid. De zon is een paar minuten geleden, onverwacht snel, ondergegaan. Ik loop met Shubar door een steeg in de buurt van Centre Pompidou. We hebben gedronken en hij lacht. ‘Pompidou,’ zegt hij. ‘Klinkt als een stripfiguur.’
‘Jij,’ zeg ik, ‘ziet eruit als een stripfiguur.’
Ik stoot gebroederlijk met mijn schouder tegen zijn schouder, we zijn dicht bij elkaar. Ik ruik zijn zweet, aftershave, iets van zoete ui. We blijven vlak naast elkaar lopen, voorbij aan een ober die schreeuwt dat hij verse vis, lasagne en gesneden frites in de aanbieding heeft (‘Special for you, monsieur’), en voorbij aan twee zigeunermeisjes die met hun uitgestoken, zanderige handjes om een euro vragen, voorbij aan uitgelaten toeristen en aan een plein waar zwarte mannen op kleurrijke tapijtjes geluksarmbandjes en plastic puppy’s verkopen. Dan pakt Shubar mijn hand, en ik voel hoe zijn vingers mijn handpalm strelen. Het lijkt een eeuwigheid te duren, maar in werkelijkheid zijn het drie, vier seconden voor hij loslaat.

We kennen elkaar van een feestje in Stockholm. Een homostel vierde hun verloving en dat waren toevalligerwijs gezamenlijke vrienden. Dat krijg je met internet. Een klein wereldje dat nog kleiner wordt. Op de uitnodiging schreven die vrienden: Het wordt een geweldig feest. En: Zo groot is Europa niet. Ze pakten geweldig uit, maar vrijwel iedereen liet het afweten.
‘Ik ga niet, hoor’ zei mijn vriendje. ‘Wat heb ik daar te zoeken? Stockholm is dichterbij Rusland dan bij Nederland. Maar als jij wilt gaan, moet je gaan. Ik hou je niet tegen.’
Ik wilde gaan. Dus ging ik alleen. Met de goedkoopste vlucht.

Het feest was op een flat in het zuiden van de stad. Er werd weinig gepraat omdat de muziek veel te hard stond. Ik liep naar het balkon om een biertje uit de krat te pakken en daar stond Shubar. Eén hand had hij nonchalant in zijn zak gestoken, met de andere hield hij een sigaret vast. Hij blies langzaam rook uit terwijl hij in de verte staarde, over het water, naar de lichtjes aan de overkant. Toen ik naast hem kwam staan om te zien wat hij zag, zei hij: ‘Hier vlakbij is het Noorderlicht. Dat moet geweldig zijn, al die verschillende lagen van licht, als een sprookje.’  
Shubar nam een laatste hijs, blies rook uit, gooide zijn sigaret op de grond en draaide zich om. Nu zag ik zijn gezicht, de stoppelbaard, het kettinkje om zijn hals, zijn inktzwarte ogen.
‘Ik heet Shubar,’ zei hij.
‘Philip,’ zei ik.
‘Hoi, Philip,’ zei hij zacht en hij lachte verlegen naar me terwijl hij op zijn lip beet.

We dronken teveel bier, praatten over Italo Calvino, zeehondjes en Leonardo Da Vinci, dansten niet veel later met een handjevol gasten mee (uit de maat), en vielen vroeg in de ochtend zittend, maar naast elkaar, in slaap op de bank. Ik zag hoe zijn tengere borstkas heen en weer bewoog onder zijn shirt, heel rustig. Ik liet mijn ogen over zijn lichaam glijden en bekeek de blote voeten onder de spijkerbroek. Op zijn grote teen zaten een paar donsharen. Shubar lag te slapen als een prins, een beeld uit de oudheid. Zijn lange wimpers trilden als een insect, ik durfde hem niet aan te raken. Alleen kijken, dacht ik, dan kan er niets kapot.

Twee weken later spraken we af in Parijs. Het midden, volgens Shubar. ‘Zo komen we elkaar tegemoet.’

We lopen langs de Seine richting de Eiffeltoren. Er is een strand nagebouwd. Er ligt zand, overal staan klapstoelen, ijscokarren en barretjes. ‘In deze stad zou ik graag willen wonen,’ zegt Shubar. 'Het heeft iets speciaals.'
‘Ik niet,’ zeg ik. ‘Ik hou niet zo van Fransen.’
Shubar lacht. ‘Ben je er zo een?’ vraagt hij.
Nu lach ik ook. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik hou gewoon niet zo van bepaalde bevolkingsgroepen.’
‘Gelukkig hoef je van geen enkele bevolkingsgroep in het bijzonder te houden, we zijn allemaal hetzelfde,’ zegt Shubar.
‘Jij niet,’ zeg ik.
We staan stil, een rondvaartboot vaart langs, water klotst tegen de kade. Ik pak Shubars hand. ‘Ik meen het,’ zeg ik. ‘Jij bent anders.’ We kijken elkaar aan, en dan voel ik hoe hij zijn dunne roze lippen op de mijne drukt, zijn baard die tegen mijn wang schuurt, zijn warme tong die langzaam rondjes draait om mijn tong en hij bijt met zijn tanden op mijn lip, alsof hij aarzelt. Op de achtergrond hoor ik het gekrijs van kinderen, de Franse taal, een sirene, steeds verder weg. Plotseling is het geluid dichterbij dan ooit. Iemand schreeuwt iets. We laten elkaar instinctief los en dan komt de klap. Onverwacht en hard, recht tussen mijn ogen.

In het ziekenhuis zeg ik: ‘Dit bedoelde ik. Zoiets was in bijvoorbeeld Berlijn niet gebeurd.’
'Zoiets gebeurd over de hele wereld. We mogen nog van geluk spreken.' Hij voelt aan de hechtingen naast zijn oog. Hij zegt: ‘We hebben in ieder geval het Noorderlicht gezien. Het was inderdaad een sprookje.’
Dan komt hij dichterbij en fluistert in mijn oor: ‘Of niet?’