Interview met Martin Kobler door Rory MacLean

Martin Kobler is diplomaat en globetrotter. In zijn kantoor boven het hoge atrium uit glas en marmer van het Auswärtige Amt in Berlijn vertelt hij mij: “Van jongs af aan wou ik de wereld zien. Dus schreef ik op 14-jarige leeftijd een brief aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, om te vragen welke onderwerpen ik in school moest studeren. Hun veelomvattend vakgebied – diplomatie, politiek, cultuur en economie – sprak mij echt aan. Het interesseerde mij niet een expert te worden, ik wou mij bij de zogenaamde generalisten aansluiten.“
Na zijn militaire dienst studeerde Kobler rechtsgeleerdheid, daarna Aziatische filologie, leert Indonesisch en studeert aan de universiteit Padjadjaran in Bandung. In 1983 werd hij lid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en gedurende de daaropvolgende 25 jaar werd hij naar Caïro, New Delhi en de Balkan gezonden, was waarnemer bij de verkiezingen in Nicaragua, Haïti en Cambodja, werkte als kabinetschef voor de minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer, en klom uiteindelijk op tot ambassadeur voor Egypte en daarna Irak.
Vandaag is Kobler – zijn gezicht gerimpeld, maar toch jeugdig, zijn olijfgroene ogen tegelijkertijd scherp en warm – directeur-generaal van de afdeling voor cultuur en communicatie bij het Ministerie voor Buitenlandse Zaken. Hij en zijn medewerkers plannen, coördineren en besturen het Duitse beleid voor culturele relaties en onderwijs, alsook voor communicatie en media. Kortom, hij is Duitslands culturele ambassadeur voor de wereld.
„Omwille van ons verleden is geen nationale instantie in zijn eentje verantwoordelijk voor de cultuur binnen Duitsland”, zegt hij, verwijzend naar het misbruik van de kunsten onder het Nazi-bewind, en legt uit dat de zestien deelstaten die taak waarnemen. “Buiten Duitsland geldt een gelijkaardig arrangement: wij bieden de financiële middelen en doelstellingen – zoals de klimaatverandering of de twintigste jaarlijkse herdenkingsdag van de val van de Muur - maar verlenen onze partner- en culturele organisaties de autonomie om die doelstellingen te bereiken.”
Tot deze onafhankelijke organisaties behoren onder andere het Goethe-Institut, DAAD (Deutsche Akademische Austauschdienst: de Duitse instantie voor uitwisselingsbeurzen), ifa (Insitut für Auslandsbeziehungen: het Instituut voor buitenlandse culturele relaties), Deutsche Welle en de Zentralstelle für das Auslandsschulwezen (het centrale agentschap voor het buitenlandse schoolwezen).
„Wij willen Duitsland in zijn volledige diversiteit tonen, niet enkel vanuit het perspectief van de regering.“
Deze innovatieve strategie steunt ook projecten die verder gaan dan de nationale commerciële en politieke doelstellingen.
“Ik heb persoonlijke belangstelling voor Palestina, Israël en het Midden-Oosten. In het kader van het Oslo akkoord had ik de leiding over ons vertegenwoordigingsbureau in Jericho”, zegt hij, en schudt zijn hoofd bij de herinnering aan hoe het was als Duitser in Israël te leven en zonder diplomatiek statuut in Palestina elke dag tussen beide plaatsen heen en weer te pendelen. “Heb je van het hart van Jenin gehoord?” vraagt hij mij.
In 2005 kwam een 12-jarige Palestijnse jongen door Israëlische soldaten om het leven in de stad Jenen op de Westelijke Jordaanoever. Ondanks hun rouw stemden zijn ouders ermee in zijn organen aan zes doodzieke Israëlische kinderen te schenken: een nier van de jongen ging naar een joodsorthodox meisje, de tweede nier ging naar een bedoeïen jongen. Zijn hart slaat in de borst van een Druzisch meisje.
Een documentaireteam uit Stuttgart – onder leiding van regisseur Marcus Vetter – maakte het verhaal wereldwijd bekend, en vertelde Martin Kobler over de idee van de vader, het door de oorlog getroffen Cinema Jenin in naam van zijn zoon te heropenen.
“De moed en het symbolisme van zijn acties zijn zo sterk, dat ze bestendig zijn”, zegt Kobler. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken droeg 25.000 euro bij aan het cinemaproject en nam deel aan de internationale geldinzameling. Dit project, een ontroerende visie van gezamenlijke menselijkheid en hoop, illustreert dat, terwijl politieke, wetenschappelijke en culturele relaties (inclusief onderwijs) de hoekstenen van de Duitse buitenlandse politiek vormen, het vaak de culturele handelingen zijn die een duurzame impact uitoefenen.
„Tegelijkertijd is omwille van onze beladen geschiedenis onze verhouding met Israël onbreekbaar en onwankelbaar”, voegt Kobler er nog aan toe.
De doelstelling van het Auswärtige Amt is „begrip voor de Europese waarden te wekken”. Ik vraag Kobler deze waarden te definiëren. “Wij hebben een grondwet die gebaseerd is op de waarden van de verlichting”, zegt hij. “Wij omarmen vrijheid van gedachte en vrijheid van meningsuiting. Het is onaanvaardbaar dat bepaalde denkwijzen niet toegelaten worden.” Hij geeft toe dat het westerse individualisme soms in aanvaring komt met de overtuigingen van bepaalde maatschappijen, maar benadrukt dat het hier niet gaat om het streven naar verandering, maar om de verbetering van de communicatie van mens tot mens.
„We staan in dialoog“, vertelt hij mij. “Ik steun de verbinding tussen cultuur en politiek volledig. Cultuur kan een rol spelen bij het vermijden van crises, of om bestaande crises te bezweren. Zo bieden wij speciale beurzen aan voor Afghanen, Irakezen en Palestijnen. We werken momenteel aan onze mogelijkheden in Jemen en Noord-Korea. We streven ernaar ook onder moeilijke politieke omstandigheden goede culturele betrekkingen te onderhouden, want alle conflicten eindigen ooit een keer.”
Kobler legt ook de nadruk op het belang van culturele uitwisseling dichter bij huis, vooral met Frankrijk en Polen.
„Als we in Europa incompetent zijn, zijn we ook in het buitenland incompetent”, zegt hij. “Wij nemen onze verantwoording voor ons verleden, we spreken erover, maar we mogen de toekomst niet verwaarlozen. We moeten elke nieuwe generatie voor ons winnen.”
Martin Kobler is een opmerkzame en morele man, openhartig en direct, enthousiast en onbevooroordeeld. Zijn omgang met mensen is van nature ongedwongen en toont oprechte interesse. “Ik ben blij een Duitser in Europa te zijn”, zegt hij, “en ik ben dankbaar vandaag in een rechtsstaat te leven. Ik ben ook blij dat ik de kans heb op het gebied van cultureel management te werken, ik probeer de belastingsgelden verstandig uit te geven.“ Hij kijkt uit het kantoorraam over de winterse hoofdstad in de richting van de Dom, en denkt misschien aan zijn levenslange passie voor vreemde plaatsen. “Ik ben blij hier in Duitsland te werken, maar werken in het buitenland is nog beter. Ik zou zeer graag op een dag terugkeren naar Jakarta, in feite, om het even waar in het buitenland.”
Maart 2010










