Bernd en Hilla Becher
De integere blik

Leden van een grote familie, “Fördertürme, 1965–1996”, uit: “Typologien”, München: Schirmer/Mosel 2003
Leden van een grote familie, “Fördertürme, 1965–1996”, uit: “Typologien”, München: Schirmer/Mosel 2003 | © Foto: Bernd en Hilla Becher/courtesy Schirmer/Mosel

Boortorens, gasreservoirs, hoogovens: de overblijfselen van de industriële cultuur waren de bevoorrechte onderwerpen van Bernd en Hilla Becher, die hun stempel drukten op verscheidene generaties succesvolle Duitse kunstfotografen.

Bernd Becher werd in 1931 in Siegen geboren. Als kind maakte hij de hoogdagen van de zware industrie langs de oevers van de Sieg en de Ruhr mee. In deze streek van mijnen en hoogovens rookten de schoorstenen en dreunden de smeedhamers. Wie niet van hier was, haalde de neus op voor de dikke zwarte lucht, maar voor de lokale bevolking waren de dampen een deel van het dagelijks leven en het bewijs voor een sterke economie. Toen in 1957 de mijngroeve van Eisenhardter Tiefbau werd gesloopt, wilde Becher, intussen een geschoold graficus, de site tekenen. Elk detail wou hij nauwkeurig vastleggen, om datgene wat decennialang een economisch bolwerk van de streek was, voor de vergetelheid te behoeden. Maar de sloop ging veel sneller dan hij kon tekenen, en daarom greep hij naar de camera.

Het fotografenpaar Bernd en Hilla Becher Het fotografenpaar Bernd en Hilla Becher | © Foto: Laurenz Berges/courtesy Schirmer/Mosel Rond diezelfde tijd leerde Becher zijn latere echtgenote kennen, reclamefotografe Hilla Wobeser. Zij was in 1934 in Potsdam geboren en was net naar Düsseldorf verhuisd, waar ze al snel gefascineerd raakte door de industriegebouwen in het Ruhrgebied, die “typische creaturen”, zoals zij ze noemde. Voor het jonge kunstenaarspaar waren de imposante technische installaties van onbekende ingenieurs als “anonieme sculpturen”. In hun VW-busje en beladen met een zware platencamera trokken de twee erop uit om de gedenkwaardige industriële monumenten te vereeuwigen: hoogovens, gasreservoirs, kalkovens, water-, boor- en koeltorens, mijnen, kolenbunkers, graansilo’s... Maar zonder een duidelijk concept zou dit enorme project onsamenhangend geweest zijn: Bernd en Hilla Becher kozen voor typologische fotoreeksen, zoals August Sander (1876–1964) hen geniaal had voorgedaan met zijn fotodocumentaire Menschen des 20. Jahrhunderts (Mensen van de 20ste eeuw).

Zakelijkheid in plaats van dramatiek

Leven tussen spoorweg en mijn, “Siège, St. Nicolas, Liège, B 1975”, uit “Bergwerke und Hütten”, München: Schirmer/Mosel 2010 Leven tussen spoorweg en mijn, “Siège, St. Nicolas, Liège, B 1975”, uit “Bergwerke und Hütten”, München: Schirmer/Mosel 2010 | © Foto: Bernd en Hilla Becher/courtesy Schirmer/Mosel Eerste Becher-gebod: de zwart-witopnamen worden steeds vanuit dezelfde hoek en steeds met de zelfde precisie gemaakt, en worden gekenmerkt door een sterke zakelijkheid en neutraliteit. Duizenden beelden die nooit een spoor van bewerking vertonen, noch enige dramatiek door schaduwspel of weereffecten. Tot aan de dood van Bernd Becher in 2007 reist het fotografenpaar de wereld rond. Ze vinden hun onderwerpen in Pennsylvania en in Zuid-Wales, in Lotharingen en in België; Luik was tenslotte een voorpost van de staalindustrie op het Europese vasteland.

Behalve afzonderlijke objecten nemen ze ook hele fabrieken in hun omgeving in het vizier. Die industrielandschappen vertellen wat meer over het leven met de mijn. Waar, zoals op een foto uit 1975, Luikse mijnwerkershuisjes tussen de hoge mijngebouwen van Saint-Nicolas en het treinspoor gekneld staan, verschillen de leefomstandigheden weinig van die in Wanne-Eickel of Pittsburgh. Het oeuvre van Becher verrijkte de conceptuele kunst met een wezenlijke fotografische bijdrage en zorgde er in belangrijke mate mee voor dat de cultuurhistorische waarde van fabrieken en andere utiliteitsgebouwen als aandenkens aan het industriële tijdperk erkend werd, vóór alles gesloopt werd.

Snapshots uitgesloten

Becher-leerling Claus Goedicke isoleert dagdagelijkse voorwerpen en brengt ze frontaal geënsceneerd in beeld Becher-leerling Claus Goedicke isoleert dagdagelijkse voorwerpen en brengt ze frontaal geënsceneerd in beeld | © Foto: VG Bild-Kunst, Bonn 2010 en Claus Goedicke Maar weinig kunstenaars slagen erin, zoals dit paar, niet alleen een wereldvermaard levenswerk te scheppen, maar tegelijk als leraars meerdere generaties bijzonder succesvolle leerlingen op te leiden. Vanaf 1976 gaven Bernd en Hilla allebei les aan de kunstacademie van Düsseldorf. Heel wat afgestudeerden van de “Becherschool”, ook de Düsseldorfse Fotoschool genoemd, begonnen vanaf de jaren 80 aan een geslaagde carrière, onder meer Thomas Struth, Candida Höfer, Thomas Ruff en Axel Hütte. Wat later volgde ook Andreas Gursky, inmiddels de duurste kunstfotograaf van onze tijd. Bechers ‘school van het zien’, waarin een op het object gerichte zakelijkheid op de eerste plaats komt en toeval of snapshots uitgesloten zijn, leidt op tot nuchtere afstand en briljante scherptediepte.

Veel oud-leerlingen nemen de typologische benadering over. Ruff, bijvoorbeeld, met portretten van zijn vrienden of internetpornografie. Candida Höfer toont bibliotheken, Struth bekijkt mensen die naar kunst kijken. Dat het echtpaar Becher geen kleur of grote formaten gebruikte, maakte het voor de jongeren gemakkelijker om hun eigen weg te vinden: de leerlingen maakten nu op hun beurt school met kleurenafdrukken van tot dan toe ongekende afmetingen. Ook de razendsnelle ontwikkeling op het vlak van digitale beeldbewerking creëerde nieuwe mogelijkheden. Ze wakkert Ruffs beschouwingen over het medium fotografie aan, en Gursky bewerkt en verwerkt vandaag zijn opnamen op computer tot abstracte composities. Een van de weinige die Bechers pad van de nuchterheid verliet, was Elger Esser: zijn nieuwe foto’s van Franse landschappen doen denken aan het romantische picturalisme. Esser behoort tot de jongere Becher-school, net als Bernhard Fuchs, Simone Nieweg of Jörg Sasse.

Alledaagse voorwerpen worden kostbaarheden

Laurenz Berges toont de sporen van leven in verlaten plaatsen en gebouwen, uit de reeks “Etzweiler”, 2000–2002 Laurenz Berges toont de sporen van leven in verlaten plaatsen en gebouwen, uit de reeks “Etzweiler”, 2000–2002 | © Foto: Laurenz Berges Twee van de laatste afgestudeerden voor Bechers emeritaat in 1996 waren Laurenz Berges en Claus Goedicke, beide geboren in 1966. Een potlood, een gebit, een snee brood, een aardappel, een hamer – Goedicke isoleert alledaagse voorwerpen en brengt ze groot, frontaal en centraal in beeld, als waren het kostbaarheden. “Kijk naar mij,” lijken de objecten te zeggen, die de kunstenaar tegen sobere, zorgvuldig uitgekozen achtergronden niet alleen esthetisch tot hun recht laat komen. De ensceneringen van Goedicke maken de toeschouwer bewust van zijn eigen ervaringen met de dingen en herinneren hem eraan hoe onmisbaar die ‘kleine helpers’ zijn.

Kort na de val van het IJzeren Gordijn maakt Laurenz Berges foto’s in verlaten Russische kazernes in het oosten van Duitsland. Die foto’s wijzen al meteen op zijn interesse voor sporen van het leven op verlaten plekken en in leegstaande gebouwen. Met het laconisme en de zakelijkheid van zijn leermeesters fotografeert hij de vieze matras in de hoek, de vergeelde gordijnen voor wazige vensters en al die verwaarloosde relicten waaraan weldra het verval zal knagen. Toch krijgt melancholie bij Berges nauwelijks een kans; die werkt hij tegen door middel van perfecte uitsnijdingen, gebruikmakend van materiaalesthetiek.