Kapitalisme Marx in Brussel

Karl Marx
Karl Marx | Foto : public domain

Karl Marx is geografisch niet gemakkelijk te situeren – misschien net omdat zijn ideeën en stellingen zo’n ruime internationale verspreiding kenden. Een zoektocht naar zijn sporen in Brussel.

Begin 1845 moest de toen 26-jarige Marx nog maar eens zijn koffers pakken. In Parijs, waar hij met zijn echtgenote Jenny von Westphalen en hun gelijknamige dochtertje de twee voorafgaande jaren had doorgebracht, was hij door zijn publicaties en activiteiten in het milieu van Duitse ballingen tot persona non grata geworden. Het uitwijzingsbevel nam hij blijkbaar eerder nonchalant op. In de voormiddag van 1 februari 1845 ondertekende hij met de uitgever Leske nog een verdrag over het beëindigen van zijn "politieke economie". Diezelfde dag nam hij een koets in noordelijke richting en kwam na een tussenstop in Luik op 3 februari in Brussel aan.

Ook in Brussel was er – zoals in Parijs – een grote groep van Duitse ballingen. Het eerste adres voor Marx was de advocaat Gustav Mayntz, die zijn kabinet had aan de Kleine Zavel en doceerde aan de pas opgerichte Université Libre de Bruxelles. Nog in die eerste dagen ontmoette Marx de uit Berlijn gevluchtte arts Martin Breyer, die wel niet de huisarts van de familie werd, maar hielp bij het vinden van een geschikte woning.

Hun levensloop is typisch voor Duitse academici in ballingschap: als corpslid waren ze van de Pruisische universiteiten verwijderd en wegens hun medewerking aan liberale kranten ook door de politie vervolgd. Marx, als tijdelijk hoofdredacteur van de Keulen verschijnende Rheinische Zeitung, kon daarover meepraten. Toen deze oppositiekrant in 1843 verboden werd, was dat voor hem een belangrijke reden om Pruisen de rug toe te keren.

In België lagen de verhoudingen anders. De jonge staat had samen met Groot-Brittannië de meest vooruitstrevende liberale grondwet in Europa, die ondermeer menings-, persvrijheid en recht van samenkomst garandeerde. Ook economisch ging het land vooruit: een wet van 1834 legde de grondslag voor een fijnmazig spoorwegennet en de Waalse industrie begon zich al te ontwikkelen.

Met de hulp van de advocaat Mayntz kon Marx snel een verblijfsvergunning bemachtigen, hoewel onder voorwaarden: "Om de toestemming te bekomen voor een verblijf in België, stem ik toe om mij op mijn erewoord te verplichten, in België niet te publiceren over actuele politiek". Deze verklaring moest Marx afgeven aan de politieambtenaar Baron Hody, die contacten onderhield met de Pruisische Vertegenwoordiging in Brussel.

Oorspronkelijk was het ook niet de bedoeling van Marx als gepromoveerd filosoof iets dergelijks te publiceren. Hij plande fundamentelere zaken. Meerdere theoretisch-filosofische geschriften dateren uit deze jaren 1845 en 1846. Daartoe behoort Die heilige Familie, het eerste werk, dat hij samen met Friedrich Engels uitgaf. Marx en Engels hadden elkaar in Keulen en Parijs ontmoet, maar hun eigenlijke samenwerking begon in deze Brusselse periode, waar ze tijdelijk met andere Duitsers als Moses Hess of de arts Breyer in dezelfde straat woonden, in het huidige Sint-Joost.

Ook uit deze Brusselse tijd stammen Thesen über Feuerbach en Die deutsche Ideologie, die toen echter geen uitgever vonden en pas tientallen jaren later gedrukt zouden worden. Terugkijkend kunnen deze werken als baanbrekend beschouwd worden, omdat de centrale elementen van het historische materialisme er voor het eerst werden geformuleerd. Marx zelf zou later over Die deutsche Ideologie schrijven: „We konden het werk des te gemakkelijker overlaten aan de bijtende aanval van de muizen, omdat we ons hoofddoel bereikt hadden – zelfbegrip“.

Terwijl Marx en Engels tot de vroege uurtjes gebogen zaten over hun geschriften, zeker ook bij wijn en kaartspel, bleven de dagelijkse zorgen voor Jenny von Westphalen en Helene Demuth, de meid. Omdat de inkomsten uit de publicaties gering waren en nauwelijks te voorzien, waren geldzorgen een constante. Het meubilair in de nieuwe woonst in Elsene, waarheen de familie vanwege de volgende zwangerschap van Jenny eind 1846 verhuisde, beschreef een tijdgenoot als "zeer bescheiden", ja zelfs als "armelijk". Daar werd in februari 1847 de eerste zoon geboren, Edgar.

In dat 1847 nam het werk van Marx en Engels een praktischere wending. Centraal stond nu niet meer het abstracte schrijven, maar het directe contact met democratisch gezinde arbeiders, ambachtslieden en burgers. Voor deze nieuwe vorm van agitatie werd het Deutsche Arbeiterverein een forum. Hier ontmoette men elkaar meermaals per week voor het lezen van de krant en voor voordrachten, bijvoorbeeld over de kwestie van de vrijhandel. Daarbij stonden de voordrachten van Marx bekend als theoretisch gecompliceerd en weinig toegankelijk voor niet-academici. Eenmaal wekelijks trof men elkaar bovendien voor de gezelligheid, waarbij ook de arbeidersvrouwen welkom waren.

De arbeidersvereniging had voor Marx en Engels niet enkel een lokaal pedagogische functie, maar was ook een manier van internationale netwerking. Al vanaf 1846 hadden ze intensief schriftelijk contact met de democratisch-internationalistische vereniging Fraternal Democrats in Londen. Engels had enige tijd in Manchester gewerkt, in een filiaal van zijn vaders firma en was uitstekend op de hoogte van de Engelse toestanden. Ook met Parijs hadden beiden nog nauwe contacten. Oorspronkelijk heette dit netwerk "Kommunistisch Korrespondentie Comité".

Vanaf 1847 ontstond een eigen koepelorganisatie met zetel in Londen onder de benaming „Bond van de Communisten“. Eind 1847 kregen Marx en Engels van dit gremium dan de opdracht een programma neer te schrijven - dit geschrift zou later onder de titel Manifest van de Communistische Partij wereldberoemd worden. Het is in zekere zin ironisch dat belangrijke onderdelen van dit geschrift ontstonden in die stille straat in Elsene. 

Ook internationalistisch van benaming en perspectief was de Association Démocratique, ayant pour but l’union et la fraternité de tous les peuples. Het waren Belgen, die in deze verzetsbeweging de toon aangaven, zoals de advocaten Lucien Jottrand en Charles-Louis Spilthoorn. Veel in België wonende buitenlanders waren bij de oprichting betrokken, ondermeer Polen, Zwitsers, Fransen en Duitsers; Marx verkreeg de functie van plaatsvervangend voorzitter. De groep trof elkaar soms in het café Le Cygne op de Grote Markt, zoals bij de oudejaarsnacht van 1847. Daaraan herinnert een gedenksteen, die in 2006 werd aangebracht op initiatief van de Brusselse SPD-vereniging en met steun van de Brusselse burgemeester Freddy Thielemans. (In datzelfde café werd trouwens vele decennia later, in 1885, de Belgische Arbeiderspartij opgericht.)

Deze Association Démocratique zou niet lang bestaan. De weinige overgeleverde acties zijn respectievelijk een solidariteitsbetuiging bij de tweede verjaardag van de opstand van Krakow in februari 1846 en een geschreven groet "aan het Zwitserse volk" naar aanleiding van de Zwitserse burgeroorlog in 1847. Toen brak in Parijs de februarirevolutie uit, die de Belgische regering schrik aanjoeg, vooral om de onafhankelijkheid van de jonge staat.

De Association, die eerst getolereerd werd, werd nu als misdadig en als orgaan van buitenlandse onruststokers gebrandmerkt. Marx was zowiezo direct na het bekend worden van de gebeurtenissen in Parijs van plan er terug te keren. Voor zijn laatste dagen in Brussel had hij al intrek genomen in het hotel Le Bois sauvage, waar hij dan wegens zogenaamd wapenbezit op naam van de Association in de nacht van 4 maart 1848 gearresteerd werd. Diverse andere leden ondergingen hetzelfde lot. Maar omdat ook tijdens een nauwkeurige doorzoeking van het hotel geen wapens gevonden werden, werd Marx dezelfde dag nog vrijgelaten, weliswaar op voorwaarde dat hij België onmiddellijk zou verlaten.

Het jaar 1848 zag Marx en Engels bij diverse revolutionaire brandhaarden in Frankrijk en in de Duitse bond. Toen de tegenreactie zich echter opnieuw doorzette, vertrokken beiden in ballingschap naar Londen. Teleurgesteld over het mislukken van de revolutie zouden ze zich daar voor de komende jaren uitsluitend bezig houden met het theoretische werk aan hun publicaties.