Duitse stripverhaal Tendensen van de laatste 20 jaar

Mawil: Fahrrad-Tour-Checkliste („Checklist fietstocht”), Der Tagesspiegel, Juli 2008
Mawil: Fahrrad-Tour-Checkliste („Checklist fietstocht”), Der Tagesspiegel, Juli 2008 | © Der Tagesspiegel

Duitsland heeft zijn plaats op de wereldkaart van stripverhalen opnieuw ingenomen. Uit een tekenaarsgroep uit Oost-Berlijn werd een nieuwe Duitse stripavant-garde geboren. Het stripvriendelijke klimaat aan de Duitse universiteiten zorgt voor een belangrijke stimulans van de ontwikkeling van nieuwe richtingen en het spectrum van onderwerpen en stijlen in de stripverhalen wordt steeds breder.

Het feit dat Duitsland zijn plaats op de wereldkaart van het stripverhaal opnieuw heeft ingenomen, is te danken aan de eenmaking van de Duitse Bondsrepubliek en de Duitse Democratische Republiek (DDR). Het was trouwens het Oost-Duitse deel van het land dat de belangrijkste rol speelde in deze heropbloei - toch tenminste wanneer de focus op het esthetische aspect ligt in plaats van op het zuiver economische aspect.

Er waren natuurlijk ook vóór 1990 al enkele Duitse striptekenaars die naam hadden gemaakt. Het maakt niet uit of het nu om Matthias Schultheiss en Ralf König gaat die al internationale faam hebben verworven, om Walter Moers en Rötger Feldmann alias Brösel die een voorbeeld zijn van nationale succesverhalen of om Hannes Hegen en Rolf Kauka als toonaangevende figuren uit de jaren 50 en 60 - al deze artiesten gebruiken in hun werk de sinds lang gevestigde stijl- en verhaalvormen die in andere landen werden ontwikkeld. Hun werk werd onder meer beïnvloed door het in de jaren 50 opgerichte Amerikaanse satirische striptijdschrift „Mad”, Walt Disney, de Franse scène en de Amerikaanse „Underground”.

„PGH Glühende Zukunft”

Er bestonden al Duitse beeldverhalen van de hand van Wilhelm Busch of van e. o. plauen, dat eigenlijk het pseudoniem is voor Erich Ohser die van 1934 tot 1937 de stripserie „Vater und Sohn” („Vader en zoon”) tekende. Het was echter pas met de opkomst van de stripavant-garde vanaf 1990 dat de Duitse stripwereld opnieuw als zelfstandig kon worden beschouwd.

De kern hiervan bevond zich in Berlijn en als we dan toch één naam moeten vermelden, zou dat deze zijn van een collectief: „PGH Glühende Zukunft” (PGH gloeiende toekomst) was de naam die door een groep kunstenaars uit Oost-Berlijn werd gekozen als ironische verwijzing naar de ambachtelijke productieverenigingen (PGH = Produktionsgenossenschaften des Handwerks). Dit collectief werd onmiddellijk na de val van de Berlijnse muur in 1989 opgericht en bestond uit Anke Feuchtenberger, Holger Fickelscherer, Henning Wagenbreth en Detlef Beck.

Ze waren allemaal afkomstig uit Oost-Duitsland, alwaar ze een degelijke grafische opleiding hadden gevolgd en nog enkele technieken hadden geleerd die allang vergeten waren in de kunstacademiën en andere onderwijsinstellingen in West-Duitsland. Het werken met handpersen, hout- of linoleumdruk, kalligrafie en boekenontwerp vormden de basis voor de kunst van dit Berlijnse kwartet, terwijl iets jongere Osst-Duitse artiesten zoals Georg Barber, alias Atak en Kat Menschik eveneens profiteerden van de traditionele opleidingen in de DDR.

Nieuwsgierigheid naar stripverhalen

Deze artiesten werden vooral bekend door hun posters of cartoons, maar dit was slechts een voortzetting van hetgeen ook in de DDR mogelijk was geweest. Voor kunstzinnige stripverhalen was er echter voorheen geen platform geweest omdat de productie van beeldverhalen in de DDR beperkt was tot het maandtijdschrift „Mosaik” en tot de steeds zeldzamer wordende series in de partijgebonden jeugdtijdschriften „Atze” of „Frösi”. Stripverhalen of ‘comics’ (die zelfs niet zo mochten worden genoemd) waren in de ogen van de overheid rommel voor kinderen. Hierdoor werd ook het verhaalpotentieel van de beeldverhalen in de DDR miskend.

De leden van de „PGH Glühende Zukunft” waren bijgevolg bijzonder nieuwsgierig naar dit verhalende genre. Vanaf dat ogenblik produceerden ze hoofdzakelijk stripverhalen, zelfs wanneer dit betekende dat ze hun brood alleen konden verdienen door andere grafische opdrachten aan te nemen. Door het feit dat ze niet financieel afhankelijk waren van hun stripverhalen, konden ze beginnen met experimenten die gevestigde West-Duitse striptekenaars niet aandurfden omdat ze hun commercieel succes niet in gevaar wilden brengen. Het werk van de vier Berlijners bevat een bewuste verwijzing naar het expressionisme als de belangrijkste moderne kunstbeweging die als specifiek Duits wordt beschouwd.

Duistere beeldverhalen

Deze traditionele benadering bleek bijzonder populair in het buitenland, omdat er in de stripverhalen die uit Duitsland kwamen plots iets werd teruggevonden dat iedereen uit de kunstgeschiedenis kende als een van de belangrijkste verworvenheden van dit land. De meeste strips die door de PGH-tekenaars werden gemaakt, bevatten zwarte humor met een existentialistische of cynisch-satirische ondertoon, en leken rechtstreeks de draad op te pikken van een tijdperk waarin Berlijn gedurende tien jaar de wereldhoofdstad van de kunst was: de jaren 20 tijdens de Weimarrepubliek.

Anke Feuchtenberger, die in de eerste plaats het literaire materiaal van de auteur Katrin de Vries omvormde tot feministische beeldverhalen, en Henning Wagenbreth met zijn onmiskenbare pictogrammenstijl, werden halverwege de jaren 90 de boegbeelden van de Duitse stripavant-garde – eerstgenoemde in Frankrijk en laatstgenoemde in Amerika. Fickelscherer en Beck slaagden er echter niet in door te breken op de internationale markt. Dit lukte rond dezelfde periode echter wel voor twee West-Duitse tekenaars: Hendrik Dorgathen en Martin tom Dieck.

Over de grenzen heen

Dorgathen kende al succes als illustrator voordat hij begon met zijn woordloze strip „Space Dog” („Ruimtehond”). Dit werk werd uitgegeven door Rowohlt Verlag, een van de meest prestigieuze literaire uitgeverijen van de Duitse Bondsrepubliek, en maakte al snel internationale furore. Martin tom Dieck uit Hamburg vestigde zijn reputatie in de eerste plaats met een door Jens Balzer geschreven strip met de naam „Salut Deleuze” („Dag Deleuze”) waarin de poststructuralistische filosofie van Gilles Deleuze, Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Lacan de thematische focus werd van een uitzonderlijk intelligent verhaal over de afdaling naar de hel van de vier overleden filosofen. De strip werd voor de eerste keer uitgegeven in Frankrijk en werd twee jaar later gevolgd door een Duitse uitgave die door een Zwitserse uitgeverij werd gedrukt.

Dit is een voorbeeld dat tot op heden als karakteristiek kan worden beschouwd: veel Duitse artiesten, vooral de tekenaars die werk produceren dat inhoudelijk veeleisend is, hebben meer succes in het buitenland, vooral in Frankrijk, dan in hun eigen land. Ulf Keyenburg, alias Ulf K., Barbara Yelin en Jens Harder hebben veel meer in het buitenland dan in Duitsland zelf gepubliceerd. Dit is ongetwijfeld ook te wijten aan hun themakeuze die in een internationale context als typisch Duits kan worden beschouwd en juist daarom zo populair is in andere landen.

Romantiek en moderniteit

Het werk van Ulf K. met zijn twee hoofdfiguren, Monsieur Mort en Hieronymus B., verwijst bijvoorbeeld naar de Duitse kunstgeschiedenis door middel van thema’s zoals de dodendansen of grotesken, waarvan de indrukwekkendste voorbeelden werken zijn uit de vroege Nieuwe Tijd, van Hans Holbein de Jonge en Jeroen Bosch. Er wordt ook verwezen naar de onwerkelijkheid van de werken van de kunstenaars Arnold Böcklin (1827 tot 1901) en Max Klinger (1857 tot 1920), die op het overgangspunt liggen van de romantische periode naar een modernistische beweging die terugvalt op droommotieven, surrealistische thema’s en persiflages van mythologische onderwerpen.

Barbara Yelin tekent echter strips waarvan de structuur en thema’s opvallend op de romantiek zijn gebaseerd, terwijl de twee grote projecten die Jens Harder tot nog toe heeft gerealiseerd („Leviathan” en „Alpha”), verwijzen naar de inspanningen van de zoöloog Ernst Haeckel (1834 tot 1919) om de natuur systematisch grafisch te doorgronden. In navolging van Darwin heeft Haeckel geprobeerd de evolutie voor te stellen in de vorm van uitgebreide schema’s. Zijn illustraties zorgden echter vooral bij kunstenaars en filosofen voor sensatie. We kunnen daarom stellen dat strips die direct of indirect aan de Duitse kunstgeschiedenis kunnen worden gekoppeld, op een bijzonder grote positieve respons in het buitenland mogen rekenen. Zo werd „Alpha” bijvoorbeeld in januari 2010 tijdens het belangrijkste Europese stripfestival in het Franse Angoulême, bekroond met de „Prix de l’Audace” („Prijs voor moed”).

Stripvriendelijk klimaat

Het huidige succes van de Duitse strips is allang niet meer alleen aan avant-gardistische verhalen te danken. Sinds de oudere generatie van artiesten leerstoelen heeft gekregen aan de kunstacademiën - Feuchtenberger in Hamburg, Wagenbreth in Berlijn, Dorgathen in Kassel, tom Dieck in Essen, Atak in Halle –, is er aan de Duitse universiteiten eindelijk een stripvriendelijk klimaat ontstaan dat het beeldverhaal aanmoedigt. Enkele van de meest succesvolle Duitse strips van de laatste tien jaar zijn ontstaan als academische proefschriften, waarbij vooral „Held” van Felix Görmann, alias Flix en „Wir können doch Freunde bleiben” („Wij kunnen toch vrienden blijven”) van Markus Witzel, alias Mawil, het vermelden waard zijn.

De eerste titel is een fictieve West-Duitse autobiografie terwijl de tweede een echte Oost-Duitse biografie is. En het spectrum aan thema’s en stijlen in de stripwereld wordt steeds breder.

Hierbij werden twee centra voor de productie van strips opgericht: Berlijn, waar vooral de stripgroep „Monogatari” (het Japanse woord voor Verhalen) opheft maakt, en Hamburg, waar de cursussen van Anke Feuchtenberger aan de hogeschool voor vormgeving het mogelijk hebben gemaakt een scène te bieden voor de vorming van een groep jonge striptekenaars, die ook profiteert van het feit dat er drie andere gevestigde kunstenaars, nl. Martin tom Dieck, Markus Huber en Isabel Kreitz in dezelfde stad wonen.

Onbekend verhaalprincipe

Met de jaarlijks verschijnende stripanthologie „Orang” hebben Sascha Hommer en Arne Bellstorf, oudstudenten van Feuchtenberger, een forum gebouwd voor deze in Hamburg wonende kunstenaars die nu allemaal ongeveer dertig jaar oud zijn. De groep heeft ook twee vrouwelijke kunstenaars, Line Hoven en Moki, die met hun verwijzingen naar de klassieke houtsnijkunst (schaafkartontechniek van Hoven) en de manga-esthetiek (Moki’s handgetekende fantasiewerelden), de twee extremen bepalen waartussen de jonge Duitse striptekenaars zich vandaag bewegen.

Bij Monogatari in Berlijn, met leden zoals Jens Harder, Mawil, Ulli Lust, Tim Dinter, Kathi Käppel en Kai Pfeiffer, heeft zich een trend ontwikkeld naar stripverhalen in documentairestijl, waarbij de focus niet alleen op het zeer succesvolle model van autobiografische verhalen ligt, maar waarbij ook de fenomenologische observatie een grote rol speelt. Het Duits-Israëlische stripreportageproject „Cargo” waarbij Harder en Dinter betrokken waren, vormt een goed voorbeeld voor dit verhaalprincipe dat eerder onbekend was in Duitsland, maar ook door Ulli Lust en Kai Pfeiffer werd gebruikt in hun visuele verkenningen van Berlijn.

Internationaal succes

Met de Johnny-Cash-biografie van de eveneens in Berlijn wonende Reinhard Kleist, wiens carrière begon onder invloed van de stripavant-garde van de jaren 90, heeft nog een nieuwe trend gestalte gekregen: de thematische strip. „Cash” is ook internationaal een groot succes geworden, evenals de grondig gefundeerde historische strip van Isabel Kreitz over de spion Richard Sorge, die als medewerker van de Duitse ambassade in Tokio de invasieplannen van Hitler jegens de Sowjetunie tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft verraden.

Hoewel het verhaal zich in Japan afspeelt, gebruikt Isabel Kreitz geen stijlelementen van manga, het typische Japanse stripverhaal. Heel wat andere Duitse artiesten van de jongere generaties hebben echter wel inspiratie gevonden in het Verre Oosten. Als reactie op de voortdurende groei van manga sinds de jaren 90, is ook in Duitsland een volledig nieuw marktsegment ontstaan dat ondertussen een aantal lokale manga-artiesten heeft voortgebracht. Opmerkelijk hierbij is het grote aantal vrouwelijke artiesten dat zich ontpopt als „mangaka” (mangatekenaars). Enkele voorbeelden hiervan zijn Anike Hage, Christina Plaka, Judith Park, Nina Werner, Olga Rogalski of het creatieve duo Dorota Grabarczyk en Olga Andryenko dat zijn werk publiceert onder het pseudoniem DuO.

Eigen verhalen en stijlen

Hetgeen ze allemaal gemeen hebben is dat ze, in tegenstelling tot de eerder vermelde artiesten, geen eerdere artistieke opleiding hebben, maar in plaats daarvan als fantekenaars zijn gestart en zich via talentenwedstrijden hebben opgewerkt. Dit is de reden waarom de categorisatie in scholen of volgens historische tradities een veel minder belangrijke rol spelen voor „mangaka” dan voor andere striptekenaars. De meer open structuren van deze scène hebben vooral in de commerciële/populaire sector van de Duitse strip heel wat vers bloed gebracht, en het reeds wereldwijde succes van de manga-esthetiek zorgt er ook voor dat jonge kunstenaars ook buiten de grenzen heen bekend worden.

Wanneer dan ook nog op een behendige manier naar de Duitse geschiedenis wordt verwezen, zoals Christina Plaka dat doet met de titel van haar successerie „Prussian Blue” („Pruisisch blauw”, een verwijzing naar de uit Duitsland afkomstige synthetische kleur die via de houtsnedereeks „De 36 gezichten van Fuji” van Hokusai in Japan beroemd werd) of zoals Anike Hages „Gothic Sports” („Gothic sporten”) gebruikt om te verwijzen naar het thema voetbal, wordt ook hier de culturele nieuwsgierigheid van anderstalige lezers gewekt. En zo bewijst de Duitse strip zichzelf, zelfs als manga, vooral door het zoeken en vinden van zijn eigen verhalen en stijlen.