Franquin Een humorist met een donkere kant

Franquin
© Dupuis Verlag & PhOtOnQuAnTiQuE via flickr.com

Hergé, de geestelijke vader van Kuifje, oogstte zijn hele leven lang veel bewondering. Maar zelf keek hij vooral op naar André Franquin (1924–1997). De man die jarenlang de klassiek geworden strip “Robbedoes en Kwabbernoot” tekende (22 albums in de reeks zijn van zijn hand), de Marsupilami uitvond (“Hoeba, hoeba”), én zich de geestelijke vader mag noemen van Guust Flater, de ingenieuze maar uitvretende kantoorklerk die op de redactie van het weekblad “Robbedoes” werkt. Of toch verondersteld wordt van dat te doen.

In zijn jonge jaren had Franquin één grote held: Walt Disney. Net als zijn voorbeeld wilde Franquin met tekenen zijn brood verdienen, en als het even kon met het maken van tekenfilms. Dat was niet vanzelfsprekend. Hij zette zijn eerste stappen wel binnen een van de allereerste Belgische tekenfilmstudio’s, maar dat project was geen lang leven beschoren. Via een bevriende tekenaar, Jijé, mocht hij een verhaal van Robbedoes en Kwabbernoot tekenen. Jijé was overtuigd van het talent van Franquin, en wilde hem een kans geven. Franquin aanvaardde de opdracht met veel plezier, én met veel talent – want hij zette de reeks meteen naar zijn hand. Het maken van strips zelf zag hij op dat moment nog steeds als een opstapje naar de tekenfilm. En die ambitie wilde hij waarmaken: Franquin ging bij Walt Disney solliciteren. Hij trok naar Amerika.

Van Amerikaans voorbeeld naar eigen stijl

Dat deed hij niet alleen, want verschillende van zijn collega’s en vrienden-tekenaars koesterden dezelfde ambitie. Morris, de tekenaar van Lucky Luke, ging mee, net als Jijé, die zijn vrouw en vier kinderen meenam. Per boot ging het naar de overkant van de Atlantische oceaan, waar vervolgens een auto werd gehuurd die het gezelschap naar Californië bracht. Toen ze bij de studio’s van Disney arriveerden, bleek de goede man net 300 mensen ontslagen te hebben als gevolg van de tegenvallende commerciële resultaten van Bambi, zijn laatste tekenfilm. Niet meteen een moment om te komen solliciteren. Daar eindigde het grote plan van de drie tekenaars. Allemaal bleven ze nog een tijdje in de Verenigde Staten hangen, maar Franquin kwam als eerste terug. Vanaf dat moment werd hij fulltime striptekenaar, iets wat hij zijn hele leven zou blijven doen.

Lang duurde het niet of hij had naam gemaakt. Een reputatie die nog steeds als een huis overeind staat. Hij gaf Robbedoes en Kwabbernoot, een reeks die al in handen van enkele andere tekenaars was geweest, de vorm die de strip beroemd zou maken. Naarmate de reeks vorderde begon hij steeds meer een eigen tekenstijl te ontwikkelen. Veel drukker, met veel meer lijntjes dan bij de traditionele strips uit de Frans-Belgische school, wat krasseriger. En toen kwam Guust Flater, de nog steeds hilarische strip over een behoorlijk anarchistisch hulpje op de redactie van het weekblad Robbedoes die zich vooral onledig houdt met het doen van nutteloze uitvindingen. Met onder meer als gevolg dat de écht belangrijke contracten nooit getekend worden.

“Ik ben een onrustig iemand”

Toch maakte Franquin niet alleen naam met de goedmoedige humor van Guust Flater, Robbedoes en Kwabbernoot en Ton en Tinneke, een strip die hij gedurende een paar jaar voor het weekblad Kuifje maakte. Franquin had ook een donkere kant. In 1977 maakte hij voor het eerst een strip waarvan het van bij het begin de bedoeling was dat hij in zwart-wit zou worden afgedrukt: Zwartkijken. In de strip, die gekenmerkt wordt door een heel lugubere humor, geeft hij zijn eigen angsten en twijfels vorm. De tekeningen zijn zo uitgewerkt en zo gedetailleerd, dat ze aan negentiende-eeuwse gravures doen denken. “Mijn manier van tekenen is nogal omslachtig en mijn tekeningen zijn niet altijd heel ‘leesbaar’. Ik ben een onrustig iemand, en onrustige mensen maken tekeningen die overlopen van de details.” Nooit ging hij daar zo ver in als in deze strips.

Maar in Zwartkijken werkte het. Franquin maakte er zijn donkerste en ook meest verrassende strip mee, die nog altijd indruk maakt en beklijft. Door de kwaliteit van de tekeningen, maar ook door de luciditeit waarmee de tekenaar het menselijk bedrijf beschouwt. Hij liet er zijn vaste biotoop, de bladzijden van Robbedoes, voor achter zich, en zou de strip vooral tekenen voor het Franse blad Fluide Glacial, dat geleid wordt door zijn vriend Marcel Gotlib, zelf tekenaar van een hele reeks humoristische strips.

Franquins tekentempo was ondertussen fiks teruggelopen. Elke maand een plaat van Zwartkijken, dat lukte nog. Elke week een plaat van Guust Flater, dat kreeg hij niet meer rond. De man die tienduizenden lezers kon laten lachen, worstelde regelmatig met het leven. De rechten op de personages Robbedoes en Kwabbernoot rusten bij uitgeverij Dupuis, maar de Marsupilami verzon hij helemaal zelf. Eén van zijn allerlaatste projecten was het opstarten van een eigen reeks rond dat personage, dat aanvankelijk tot de cast van Robbedoes en Kwabbernoot behoorde. De reeks over het vreemde beest loopt tot vandaag door, en leidde ondertussen al onder meer tot een Franse bioscoopfilm, Sur la piste du Marsupilami, die in april 2012 in de zalen kwam.