Parijs Seine-Saint-Denis Politiek discours stigmatiseert volgens woonplaats

Ghetto

In zijn gevierde boek Stigma uit 1963 omschrijft socioloog Ervin Goffman stigmatisering als “een situatie die leidt tot de uitsluiting van een individu of die zijn volwaardige deelname aan de samenleving in de weg staat”. De link met de situatie in een aantal Franse buitenwijken is snel gelegd. Die worden door Franse politici maar al te vaak afgedaan als kwetsbaar of problematisch, als getto’s of wetteloze plaatsen, termen die net zozeer “beschrijvend” als “afschrijvend” zijn.

Stigmatisering is volgens Goffman geen brandmerk op zich, maar komt tot stand in de ogen van de ander, waarna de gestigmatiseerde er zich mee gaat identificeren. Het beschrijft de relatie tussen zij die zichzelf als “normaal” zouden omschrijven, en zij die van die “normaliteit” afwijken. Wat houdt de stigmatisering van de Franse sociale woonwijken in, of zelfs van hele gemeenten of departementen als Seine-Saint-Denis? Wat veroorzaakt hun discriminatie of staat hun aanvaarding door de samenleving in de weg?

De discriminatie van niet-blanke wijken

Sinds begin jaren 1970 wijzen nationale autoriteiten buitenwijken vol grote woonblokken met de vinger. Hoewel de bouw ervan op grote schaal enkele jaren eerder nog door de overheid werd goedgekeurd, zouden ze aan de basis liggen van het afwijkende gedrag van jongeren en het verval van het sociale leven in de wijken. Ze zijn “slecht uitgerust, te groot en te compact, broeihaarden voor misdaad”, zo klonk het toen. Enkele decennia later blijkt daar weinig verandering in te zijn gekomen, ondanks de fysieke aanpassingen aan honderden wijken in het kader van het nationale programma voor stadsvernieuwing. Ze mogen dan wel in het stedelijke weefsel zijn opgenomen, toch blijft de stigmatisering een feit. Het is dus niet zozeer “de verpakking” (of de inplanting in de stad) die aan de basis ligt van de afkeurende blikken, maar veeleer “de inhoud” en dus de bewoners.

Het politieke discours speelt een bepalende rol in de vorming van het overheersende standpunt, namelijk dat Frankrijk het bestaan van plaatsen waar minderheden in de meerderheid zijn niet duldt. Het recentste voorbeeld van zo’n discours is dat van Jean-Pierre Chevènement (een voornaam links-republikeins politicus die onlangs door de regering werd benoemd tot voorzitter van de Fondation de l’islam de France). Hij verklaarde in augustus 2016 dat Saint-Denis 135 nationaliteiten telt, maar dat er één is die vrijwel is verdwenen. De flagrante verbuiging van de statistische realiteit door de gewezen minister van Binnenlandse Zaken laten we even terzijde (volgens het Insee telde Saint-Denis in 2011 29,8 % vreemdelingen, en het departement Seine-Saint-Denis 21,4 %). Wel was hij er met zijn boodschap op uit het publiek te wijzen op een feit dat statistisch gezien niet na te trekken valt: alleen niet-blanken – al dan niet met de Franse nationaliteit – zouden vandaag in Saint-Denis leven.

Het feit dat de volkse voorsteden afwijken van de sociale norm, die stelt dat blanken op het hele Franse vasteland in de meerderheid moeten zijn, ligt precies aan de basis van hun discriminatie. Elke andere situatie wordt beschouwd als een te veroordelen onregelmatigheid. Bepaalde wijken kregen eind jaren 1960 dan ook de term ‘getto’ opgekleefd, toen Noord-Afrikaanse immigranten met hun gezin uit de sloppenwijken, opvangcentra en andere transitplaatsen wegtrokken om zich in betaalbare sociale woonblokken te vestigen. Sindsdien heeft elk antigettodiscours als ultieme doel de “normaliteit” opnieuw ingang te doen vinden in deze wijken en er opnieuw “wijken als alle andere” van te maken, een benadering die in politieke kringen erg in trek bleek. Men zou haast durven zeggen: er opnieuw buurten van maken “zoals vroeger”, een verwijzing naar de lang vervlogen tijd van de eerste sociale woonwijken waar blanken heer en meester waren.

Een eeuwenoude stigmatisering die sinds de aanslagen opnieuw brandend actueel is

Historici kunnen ons nog veel leren. Zo wijzen ze ons op de eeuwenoude stigmatisering van volksbuurten als voedingsbodems voor sociale onrust. De 19e-eeuwse arbeidersbuurten werden destijds door de heersende klassen omschreven als “een wereld apart, vol gevaren en bewoond door individuen met verwerpelijke zeden”.

Terwijl de grote sociale woonblokken aanvankelijk een leuk alternatief bleken – zij het achteraf bekeken enigszins geïdealiseerd – voor het gewone volk, kwam de sociale onrust uiteindelijk precies bij hen het sterkst tot uiting. Eind jaren 1980 weerklonk – versterkt door het Front National en de “hoofddoekaffaire” – in politieke kringen en de media het discours dat de bewuste wijken een levensgevaarlijke bedreiging vormden voor het integratiemodel van de Franse republiek, dat speciaal voor die gelegenheid in theorieën werd gegoten. Eén woord nestelde zich sterker dan alle andere in het openbare debat: “communautarisme”. In de wijken namen etnisch-religieuze groeperingen beetje bij beetje de bovenhand op de Republiek. Ze legden hun eigen regels op: een cocktail van religieus fundamentalisme, onderdrukking van de vrouw, polygamie, maffiapraktijken en onbeschaafdheden ter provocatie van de Franse instellingen.

Sinds januari 2015 is het politieke en sociale beeld van de voorsteden een figuur rijker: de jihadist die niet alleen Frankrijk maar de hele Franse “beschaving” wil treffen. Zij laten op hun beurt “honderden buurten in Frankrijk ontkiemen die potentiële gelijkenissen vertonen met wat zich in Molenbeek heeft afgespeeld”, om de woorden van de Franse politicus Patrick Kanner te gebruiken. Sinds zijn uitspraken in maart 2016 worden alle inwoners van de voorsteden in het overheersende discours afgeschilderd als “dissidenten”, mensen die de “waarden van de Franse republiek” niet delen.

Het feit dat die waarden in de voorsteden op weinig bijval kunnen rekenen en het gebrek aan sympathie voor de Franse natie zouden kunnen verklaren waarom tientallen of honderden leerlingen (de schattingen lopen nogal uiteen) uit de volkse voorsteden weigerden een minuut stilte te houden na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo, of het moment van stilte zelfs verstoorden. Een niet te verifiëren groep inwoners van die buurten zou geweigerd hebben deel te nemen aan de manifestatie van 11 januari 2015, een reactie op diezelfde aanslagen. Tien dagen later benadrukte de Franse premier Manuel Valls dat de breuklijnen die de nationale eenheid ondermijnen “overal” een gevaar vormen en zich niet beperken tot enkele “probleemwijken”. Zijn voorzichtige taalgebruik moest ongetwijfeld veralgemening of stigmatisering voorkomen. Toch volgde in zijn volgende zin een lijst met problemen die zonder veel verbeelding de meest gangbare stereotypes over deze wijken weerspiegelen: “conflicten tussen verschillende groepen, racisme, antisemitisme, discriminatie, seksisme, gesloten gemeenschappen, de greep van drugsbendes, werkloosheid, ongelijke toegang tot cultuur of kennis, de wanhoop bij een deel van de jeugd.”
Over de rijkdom en creativiteit in de voorsteden wordt met geen woord gerept, aangezien ook die enigszins verzachtende beelden – tegenstrijdig genoeg – als clichés worden afgedaan door politici en in de media. We moeten echter de aandacht vestigen op een paradox. Enerzijds beweren de Franse politici de inclusie van de bevolking in de buitenwijken na te streven in naam van de “gelijkheid binnen de republiek”.

Anderzijds herinneren ze er telkens opnieuw aan dat diezelfde bevolking toch enigszins anders is dan de anderen, dat hen precies datgene ontbreekt wat volgens Goffman onmisbaar is in de Franse republiek.