Brussel–Molenbeek Radicalisering: de inwoners van Molenbeek geraadpleegd

Ninoofsesteenweg `s nachts
Ninoofsesteenweg `s nachts | Foto: © Sarah Dheedene

Hoe kunnen we gewelddadige radicalisering op lokaal niveau een halt toeroepen? Die vraag stond centraal in een onderzoek van het European Institute of Peace over de Brusselse gemeente Molenbeek, waar verschillende terroristen verantwoordelijk voor de aanslagen in Parijs en Brussel opgroeiden of verbleven. Ook de vele Syriëstrijders uit de gemeente kwamen het imago van Molenbeek niet ten goede. Voor het eerst werden de inwoners geraadpleegd en uitgenodigd voor een diepgaand gesprek over hun ervaringen in deze pijnlijke periode. Door in hun dagelijkse leven te duiken, kregen we inzicht in de voedingsbodem van de radicalisering – en de conclusies waren best verrassend. Een interview met Delphine Michel, die als projectmanager het onderzoek in goede banen leidde.

Sinds de aanslagen in Madrid, Parijs en vooral Brussel wordt Molenbeek geregeld in een slecht daglicht geplaatst in de media, die van de buurt een stigmatiserend beeld schetsen. Dreigen we door onderzoek te voeren naar de radicalisering in deze specifieke gemeente niet om Molenbeek te stigmatiseren? Ook in andere buurten duiken immers gelijkaardige problemen op. (Een vraag waarover elke publicatie die zich op één buurt focust, struikelt.)

Delphine Michel © Gleamlight Jazeker. Die vraag hebben we ons ook gesteld. We hadden drie doelstellingen voor ogen: ten eerste wetenschappelijke gegevens verzamelen waardoor we de behoeften konden evalueren en nagaan in welke mate het EIP in de toekomst een operationele rol zou kunnen spelen; ten tweede in een inmiddels symbolische zone die we als voorbeeld willen opvoeren en ten deerde de inwoners van Molenbeek aan het woord laten over de radicalisering en naar hun mening peilen. Tot dan toe hadden ze nog niet de kans gekregen om zich uit te spreken. Voor ons was het belangrijk om erop te wijzen dat er verschillende kanten zijn aan het verhaal, en om na te gaan of Molenbeek al dan niet een no-gozone is. Wat voor ons – en voor de burgemeester – interessant was, was dat het om een pilootproject ging, een soort “laboratorium”: als het in Molenbeek werkt, dan werkt het elders ook.

Wat waren het vertrekpunt en de opzet van het onderzoek?

Het European Institute of Peace (EIP) is in eerste instantie expert in bemiddeling en de kennis van extremistische groepen en/of individuen. Na de aanslagen in Frankrijk en België zijn we ons beginnen buigen over de radicalisering in Europa. Het gemeentebestuur van Molenbeek was op zoek naar een geschikte partner. Wij zijn onafhankelijk, zijn vertrouwd met de thema’s en de uitdagingen inzake extremisme, houden contact met instellingen op verscheidene beleidsniveaus en zijn gevestigd in Brussel. We kenden alleen de specifieke situatie op het terrein nog niet. Daarom besloten we een dergelijk onderzoek uit te voeren, volgens een beproefde methode die eerder al in een humanitaire context werd toegepast. Er was geen financiering van buitenaf, het onderzoek was een initiatief van het EIP, een soort pilootproject. We wilden nagaan welk beeld de mensen hebben van de radicalisering in hun gemeente.

Kunt u de werkwijze kort toelichten?

In eerste instantie werd het onderzoeksgebied bepaald. Dat gebeurde in samenwerking met de Molenbeekse autoriteiten. Vervolgens werden de enquêteurs geselecteerd – jongeren van uiteenlopende origine – en werden tegelijkertijd de vragen vastgelegd. In totaal werden er 406 gesprekken gevoerd. Tijdens die interviews stelden de enquêteurs vast dat er mensen bereid waren om het fenomeen van de gewelddadige radicalisering in detail te bespreken. We legden een tweede gesprek met hen vast of werden doorverwezen naar personen die meer toelichtingen konden geven. Alle gesprekken werden anoniem gevoerd. Daarna werden de gegevens geanalyseerd en werden de eerste resultaten voorgesteld. Vervolgens werden de voorlopige resultaten getoetst aan de mening van de inwoners van Molenbeek.

Veel inwoners staan tegenwoordig sceptisch en kritisch tegenover de media. Hoe kreeg u de inwoners van Molenbeek zover om deel te nemen aan het onderzoek?

Na de aanslagen werd Molenbeek overspoeld door de pers. Alleen hadden de journalisten hun antwoorden al helemaal klaar. Wij stonden echter open voor een gesprek met de inwoners en lieten hen aan het woord. Dat bleek erg goed te werken. We moesten wel naar de mensen toegaan. Eerst gingen we van deur tot deur, gingen we willekeurig te werk. Die werkwijze bleef tot op zekere hoogte efficiënt, maar we beseften dat we telkens personen met hetzelfde profiel interviewden, en dat we telkens gelijkaardige antwoorden kregen. We wilden ook polsen naar de mening van personen die in Molenbeek werken, maar elders wonen, en naar de mening van de jongeren. Daarvoor trokken we naar de openbare ruimte, naar bushokjes, cafés, wassalons, parken. We pasten ook onze taal aan en waren erg voorzichtig. Er waren echter gemeenschappen die om uiteenlopende redenen niet met ons wilden praten: Turken, Romazigeuners en mensen van Aziatische afkomst.

“We kennen de ander niet meer”

Welke resultaten uit uw onderzoek waren het verrassendst?

We waren vooral verrast over het feit dat dat de inwoners van Molenbeek bereid waren om openlijk met ons te praten. Ze willen eigenlijk meer dialoog. We hadden helemaal niet verwacht dat de inwoners van Molenbeek vertrouwen hebben in de politiediensten en meer blauw op straat willen, maar dan wel agenten die meer voeling hebben met de plaatselijke problematiek. De inwoners hebben echter weinig vertrouwen in de bemiddelaars die hen vertegenwoordigen. Ze houden er helemaal geen extremistisch discours op na. Ze zijn bang voor het extremisme, net als iedereen. Wat ons ook heeft verrast, was het feit dat er helemaal geen verrassingen waren. Het is gewoon een kwetsbare gemeenschap met socio-economische problemen. Hoe uitzichtlozer je toekomst, hoe groter de kans dat je in radicalisering vervalt.

Wat zijn volgens uw onderzoek de voornaamste oorzaken van de radicalisering in Molenbeek?

De meest voor de hand liggende oorzaak is het schijnbare gebrek aan toekomstperspectieven voor jongeren. Maar dat is niet de enige oorzaak. Tal van factoren zijn bepalend, zoals de economische en socioculturele problemen, de jihadistische ronselaars, de discriminatie en besloten groepjes die de hele dag samen optrekken.

Is Molenbeek een uitzondering in dat opzicht?

We kunnen onze bevindingen nergens mee vergelijken, dus kan ik die vraag moeilijk beantwoorden.

In uw onderzoek hebben inwoners van Noord-Afrikaanse origine het over een erg opvallende scheiding tussen de verschillende wijken in de stad, tot op het punt dat er buiten de familie en Molenbeek zelfs amper vriendschaps- en professionele banden worden gesloten. Hoe ontstaat zo'n sociale structuur?

De mensen ervaren een gebrek aan contacten. Hun familie is hun voornaamste netwerk. Tijdens de alfabetiseringscursus sprak ik met vrouwen die me toevertrouwden dat sommigen slechts één keer per week het huis verlaten om te gaan zwemmen wanneer het zwembad niet toegankelijk is voor mannen. De Noord-Afrikaanse gemeenschap is echter bijzonder divers, en we kunnen niet veralgemenen. Het feit dat het kanaal Molenbeek “afsnijdt” van de andere Brusselse wijken is zeker een probleem.

Welke gevolgen heeft die afzondering dan precies?

Er is weinig contact tussen de verschillende sociale groepen. Het zou dus ook interessant zijn om een onderzoek te voeren in de omliggende wijken. En om ontmoetingsmogelijkheden te organiseren met de mensen die net over het kanaal wonen, om bruggen te bouwen naar andere wijken. Hoe sterker de afzondering, hoe minder verdraagzaamheid. We kennen de ander niet meer.

“Radicalisering is altijd individueel”

Het geloof, de islam, speelt een tweeledige rol: enerzijds spreekt het jongeren aan, terwijl het anderzijds mensen die al in de criminaliteit terecht zijn gekomen een zekere “rechtvaardiging” aanreikt. Welke conclusies kunnen we daaruit trekken?

We willen benadrukken dat we uitsluitend religieuze radicalisering hebben behandeld in het kader van de islam, aangezien andere vormen van religieuze of politieke radicalisering geen probleem lijken te vormen in Molenbeek. De mensen vertelden ons dat ze bang zijn voor het extremisme en de radicalisering in het dagelijkse leven, op school, op straat.

Discriminatie is een mes dat aan twee kanten snijdt: de inwoners van Belgische origine voelen zich gediscrimineerd in Molenbeek, terwijl de inwoners van Noord-Afrikaanse origine zich gediscrimineerd voelen buiten Molenbeek. Hoe kunnen we die problematiek het hoofd bieden?

Alle gemeenschappen moeten samen op zoek gaan naar oplossingen.

In het onderzoek ging u uit van de stelling dat radicalisering altijd lokaal is. Spelen internationale contacten en het internet hier ook niet een belangrijke rol?

Veel wegen leiden naar radicalisering, en de ene sluit de andere niet uit. Preventie kan echter alleen op lokaal vlak plaatsvinden. Dat is ook belangrijk voor de herintegratie van teruggekeerde Syriëstrijders.

In het onderzoek vergelijkt een van de geïnterviewden radicaliserende jongeren met USB-sticks, waar we eender wat kunnen opzetten.

Dat is inderdaad zo. Radicalisering is altijd individueel. Dat maakt onze strijd tegen de radicalisering ook zo moeilijk.

“Meer dialoog, betere controle”

Wat zijn uw voornaamste aanbevelingen?

Onze aanbevelingen hebben vooral betrekking op twee aspecten: burgerparticipatie en radicalisering. Het is vooral belangrijk om meer dialoog en uitwisseling tussen de verschillende sociale groepen en de vele gemeenschappen in de hand te werken, en ook aandacht te hebben voor controversiële thema's als geloof, buitenlands beleid en extremisme. We mogen er ook niet langer voor terugdeinzen om radicale vertegenwoordigers aan te spreken. Bemiddelaars, tussenpersonen en voorbeeldfiguren kunnen bijdragen tot meer sociale cohesie. In de strijd tegen radicalisering raden we de gemeente aan een nauwere betrokkenheid van de lokale politiediensten te garanderen. Zij kennen de wijk immers goed. Verder is het aangewezen een gemeentelijke werkgroep in het leven te roepen waarin de verschillende betrokken partijen van gedachten kunnen wisselen en samen naar oplossingen kunnen zoeken. Een lokale herintegratiestrategie voor teruggekeerde Syriëstrijders is eveneens van belang. Verder moet het contact met de gezinnen steeds centraal staan.

Voor wie zijn de aanbevelingen bestemd?

Het gaat om heel algemene aanbevelingen die voor iedereen van toepassing zijn. Daarom hebben we ze ingedeeld per thema, en niet per doelgroep. We richten ons tot alle politieke en sociale niveaus.

Voorziet u nog gelijkaardige onderzoeken in andere gebieden van Europa?

Als we daarvoor subsidies kunnen krijgen, komen er nog onderzoeken, waarschijnlijk in een wijk die sterk verschilt met Molenbeek. In het geval van Brussel zou dat bijvoorbeeld om Ukkel of Etterbeek kunnen gaan. Het kan echter ook interessant zijn om aangrenzende wijken onder de loep te nemen. We hebben het over banden, maar beperken ons enigszins tot een microkosmos. In België is ook de lokale macht erg sterk, en in gemeentes met een invloedrijkere lokale macht is de sociale cohesie ook sterker.

Is een vergelijking met andere specifieke wijken in de stad, zoals we die in het kader van “No-Go?” maken, volgens u zinvol?

Het interessante is dat er tal van “patronen” terugkeren. Ik werk in West-Afrika, een totaal andere regio. De context en de omstandigheden mogen dan wel verschillen, toch blijven de problemen dezelfde als het gaat om kwetsbare gemeenschappen.
 
European Institute of Peace
Het European Institute of Peace (EIP) werd opgericht in 2014 als onafhankelijke stichting van openbaar nut, met de hoofdzetel in Brussel. Het EIP steunt de inspanningen van de Europese Unie met het oog op het vrijwaren van de vrede en de veiligheid. Het instituut telt acht leden, die elk vertegenwoordigd worden door hun respectieve ministers van Buitenlandse Zaken. Het gaat om België, Finland, Italië, Luxemburg, Polen, Spanje, Zweden en Zwitserland. Het EIP is actief in Europa, maar ook buiten de Europese grenzen. De nadruk ligt op rechtstreeks contact en innoverende bemiddelingsstrategieën.