Duits als tweede taal
Linguicisme in het onderwijs Duits als tweede taal (DaZ)
Hoe blijkt dat talen en hun sprekers worden gedevalueerd? En hoe kunnen docenten hier in de les tegenin gaan? Daar houdt de vereniging Migrationspädagogische Zweitsprachdidaktik in Wenen zich mee bezig.
Von Janna Degener-Storr
Moeten mensen die Duits leren, oefenen om te spreken zoals “de Duitsers”? En kan iemand een goed cijfer halen voor een toets, ook als je aan zijn uitspraak hoort dat zijn moedertaal Arabisch is? “Zelfs als verstaanbaarheid centraal staat, geldt in het vakgebied ‘Duits als tweede en vreemde taal’ nog steeds het ideaal om te spreken zoals een ‘native speaker’,” zegt İnci Dirim, hoogleraar Duits als tweede taal aan de Universiteit van Wenen. Daarbij wordt echter te weinig stilgestaan bij de vraag wat een zogenaamde “moedertaalspreker” eigenlijk typeert. “Bij de vorming van de Duitse natie lag de nadruk op Duitstaligen, terwijl sprekers van andere talen werden gedevalueerd,” legt de expert uit. De term ‘moedertaal’ is dus nauw verbonden met nationalisme, maar zo diepgeworteld in de samenleving dat haar studenten hem zelfs na jaren van kritische reflectie nog vaak onbewust gebruiken in eindexamens. In een migratiesamenleving leven echter veel verschillende mensen die het Duits als hún taal beschouwen – en die taal veranderen door hun accenten en woorden uit andere talen. Daardoor ontstaat er in steden een grotere hoorbare diversiteit.
Problematisch wordt het vooral wanneer accenten en talen verschillend worden beoordeeld of zelfs niet worden geaccepteerd. “Kan iemand dat nog eens normaal zeggen?” – Als een docent bijvoorbeeld zo’n vraag stelt, oordeelt hij impliciet over hoe een leerling zich daarvoor uitdrukte. Zulke vormen van discriminatie komen niet alleen voor in de les of tijdens toetsen, maar ook op schoolpleinen en bij beleidsbeslissingen in het onderwijs. Zo laaien er regelmatig discussies op over de vraag of kinderen en jongeren op school andere talen dan het Duits mogen spreken – en hoe leerkrachten moeten omgaan met het “overtreden” van zulke regels. Een bekend voorbeeld is het geval van een 9-jarig meisje dat met een vriendin Turks sprak – en als straf een opstel moest schrijven over “waarom wij op school Duits spreken.” De ouders van het meisje klaagden de school aan, en kregen gelijk van de bestuursrechter: de persoonlijke rechten van het kind waren geschonden.
Zijn alle talen evenveel waard?
“Wij spreken alleen Duits, zodat iedereen elkaar begrijpt en goed Duits leert.” Met zulke argumenten worden taalverboden vaak gerechtvaardigd. Maar de praktijkvoorbeelden laten zien dat er impliciet onderscheid wordt gemaakt tussen gewenste en ongewenste talen. “Zou een leerling die buiten de les op het schoolplein Engels of Latijn spreekt ook strafwerk krijgen?”, vroeg de advocaat van het Turkssprekende meisje zich af.Talen – en daarmee hun sprekers – worden ook impliciet beoordeeld op basis van de rol die ze in het onderwijssysteem krijgen en de waarde die eraan wordt toegekend. “Elke lesuur dat wordt besteed aan het bevorderen van het Duits is een voorbeeld van de uitzonderlijk hoge waardering van het Standaardduits,” legt İnci Dirim uit. Positief zou bijvoorbeeld een grotere verscheidenheid aan meertalige programma’s zijn, zodat aanwezige talen in de schoolomgeving beter benut kunnen worden – van Turks als tweede taal (zoals in tweetalige klassen in Hamburg) tot vakonderwijs in het Farsi of Arabisch aan Weense scholen.
Sprekers kleineren
Wetenschappers zoals İnci Dirim bestuderen zulke voorbeelden van devaluatie van talen en sprekers onder de noemer linguïcisme. De Finse linguïste en pedagoge Tove Skutnabb-Kangas introduceerde het begrip linguicism al begin jaren ’80. Latere studies toonden verschillende vormen van linguïcisme aan. Zo ontdekte Doris Pokitsch dat jongeren in Oostenrijk, ongeacht hun achtergrond, zich spiegelen aan het ideaal van een eentalige Duitstalige – en zichzelf daarmee tekortdoen. Denigrerende begrippen als “leerling met taalachterstand” wekken bij jongeren het gevoel van tekortschieten op, aldus Vesna Bjegač. En volgens Natascha Khakpour worden ideeën over “Duits kunnen” in scholen en andere instellingen gebruikt om jongeren uit te sluiten.İnci Dirim doet al meer dan vijftien jaar onderzoek naar linguïcisme. Haar werk is geworteld in het antiracistisch gedachtegoed van de migratiepedagogiek, zoals ontwikkeld door de onderwijskundige Paul Mecheril. “Het gaat ons er niet om schuldigen aan te wijzen,” benadrukt Dirim. “Maar leerkrachten zouden zelfreflectief moeten leren herkennen hoe ze betrokken zijn – zodat ze niet onbewust linguïcisme reproduceren.” Dat vraagt bewustwording: als ik me realiseer dat ik vooroordelen heb over bepaalde accenten, kan ik beter letten op hoe ik reageer op andermans uitspraak. Wie linguïcisme of andere vormen van racisme in zijn eigen lessen wil herkennen, kan bijvoorbeeld videobeelden terugkijken met dat doel, of collega’s vragen daar bewust op te letten: worden er hiërarchieën gecreëerd? Wordt er buitengesloten? En wie actief tegen linguïcisme wil ingaan, kan zich verdiepen in concepten zoals translanguaging, die er expliciet op gericht zijn machtsverhoudingen tussen talen te doorbreken. Daarbij gaat het erom meertalige praktijken te erkennen en zichtbaar te maken – bijvoorbeeld door meertalige leerlingen te versterken en hun manier van spreken institutioneel te erkennen als onderwijstaal.
Wat kunnen docenten doen?
Moet Duits in de lessen DaF/DaZ (Duits als vreemde of tweede taal) dan niet langer centraal staan? En moeten lessen ter bevordering van het Duits worden afgeschaft? Nee, daar gaat de linguïcisme-kritiek niet om. Maar: leraren, beleidsmakers en andere mensen met invloed zouden zich bewust moeten zijn van het probleem van linguïcisme en actief tegenwerken. “Leerkrachten kunnen er misschien niets aan veranderen dat hun leerlingen bij sollicitaties worden benadeeld vanwege hun accent. Maar ze kunnen er wél voor zorgen dat niemand in hun klas benadeeld of gedevalueerd wordt,” aldus Dirim. Het doel moet zijn: dat álle talen en manieren van spreken als waardevol worden gezien – en dat niemand bang hoeft te zijn om zich in zijn taal uit te drukken.Volgens Dirim is het ook belangrijk dat er ruimte en respect is voor meertaligheid. Zo laat het onderzoek van Hanna Demichiel zien: als volwassen leerders van het Duits in de les een of twee minuten in hun moedertaal over een complex onderwerp mogen overleggen, heeft dat een positief effect op hun verwerving van het Duits. Ook uit voorbeelden uit Zweden en Canada blijkt hoe meertaligheid in de klas kan worden gewaardeerd. “In veel landen is het normaal dat leerlingen hun eerste gedachten eerst in een taal naar keuze uitspreken – waarna de klas samen bedenkt hoe dat in het Engels gezegd zou kunnen worden,” vertelt Dirim. Ze verwijst naar het doctoraat van Jessica Löser. In Duitsland en Oostenrijk komt dit helaas nog zelden voor.
Racisme-kritische analyses van lesmateriaal biedt de dissertatie „Werte. Sprache. Integration: Zur Konstruktion von Werten in DaZ-Lehrmaterialien“ van Michael Hofer-Robinson
„Der Umgang mit kultureller und sprachlicher Vielfalt an Schulen. Ein Vergleich zwischen Kanada, Schweden und Deutschland“ van Jessica Löser
„Sprache und (Subjekt-)Bildung: Selbst-Positionierungen mehrsprachiger Jugendlicher“. Dissertatie van Vesna Bjegač
„Wer spricht? Sprachbezogene Subjektivierungsprozesse in der Schule der Migrationsgesellschaft“. Dissertatie van Doris Pokitsch
„Deutsch-Können. Schulisch umkämpftes Artikulationsgeschehen“. Dissertatie van Natascha Khakpour
„Race, Language and Subjectivation. A Raciolinguistic Perspective on Schooling Experiences in Germany“. Dissertatie van Liesa Rühlmann